NL.IMRO.0109.100BP00025-0003 bestemmingsplan Eerste reparatieplan Buitengebied gemeentelijke overheid coevorden 0109 25-10-2016 IMROPT2012
Eerste reparatieplan Buitengebied    

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

het bestemmingsplan Eerste reparatieplan Buitengebied van de gemeente Coevorden;

1.2 Bestemmingsplan     

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0109.100BP00025-0003 met de bijbehorende regels met bijlagen;

1.3 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 Aan huis verbonden beroep of bedrijf     

een dienstverlenend beroep of bedrijf dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie;

1.6 Aanpijling     

een op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig opgenomen aanduiding, die aangeeft welke bestemming/aanduiding van toepassing is op de aangepijlde gronden;

1.7 Agrarisch bedrijf     

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt, boomfruitteelt en een kwekerij daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf;

1.8 Ambachtelijk bedrijf     

een bedrijf waar overwegend door middel van handwerk producten worden vervaardigd, bewerkt, onderhouden of hersteld;

1.9 Archeologische waarde     

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

1.10 Bebouwing     

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.11 Bebouwingsbeeld     

de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap.

1.12 Bed & breakfast     

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt, met maximaal zes kamers en maximaal 10 personen, die in beginsel deel uitmaakt van het hoofdgebouw en onder omstandigheden in een bijgebouw mag worden gerealiseerd, zonder dat sprake is van een permanente woonsituatie;

1.13 Bedrijf     

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

1.14 Bedrijfsgebouw     

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.15 Bedrijfswoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.16 Bedrijfsvloeroppervlakte     

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep dan wel een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke, bestaand of vergund op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;

1.17 Belemmeringenstrook     

belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding;

1.18 Beperkt kwetsbaar object     

beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.19 Bestaande     

bestaand en legaal aanwezig of vergund op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, te weten 4 februari 2014;

1.20 Bestaande bebouwing     

bebouwing die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel gebouwd is of gebouwd kan worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften;

1.21 Bestemmingsgrens     

de grens van een bestemmingsvlak;

1.22 Bestemmingsvlak     

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.23 Bevi-inrichting     

een inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is;

1.24 Bijbehorend bouwwerk     

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; voor zover het bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning betreft, wordt voor de toepassing van dit begrip in afwijking van het begrip hoofdgebouw de bedrijfswoning aangemerkt als hoofdgebouw;

1.25 Boomfruitteelt     

de teelt of het kweken van fruit aan houtige gewassen;

1.26 Bosbouw     

het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande, respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie;

1.27 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.28 Bouwgrens     

de grens van een bouwvlak;

1.29 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback;

1.30 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.

1.31 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel;

1.32 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.33 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.34 Bruto vloeroppervlak van een gebouw     

de som van de bepaalde vloeroppervlaktes van alle tot het gebouw behorende binnenruimten. De oppervlakte van buitenruimten als loggia's, balkons, niet gesloten galerijen, dakterrassen en dergelijke worden hier niet tot berekend.

1.35 Chalet     

een gebouw met een oppervlakte van ten hoogste 70 m2, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning;

1.36 Consumentenvuurwerk     

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik;

1.37 Containerteelt     

het kweken van planten/boompjes in potten op een geslotenbed-ondergrond of een openbed-ondergrond met drainage;

1.38 Co-substraten     

organische materialen/producten, die mogen worden toegevoegd aan een mestvergistingsproces, waarbij het eindproduct nog steeds onder de definitie van meststof valt als bedoeld in de milieuwetgeving;

1.39 Cultuurhistorische waarde     

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

1.40 Dak     

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.41 Diepploegen     

grondbewerking dieper dan 0,3 m;

1.42 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel vallen geen afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten;

1.43 Detailhandel in weggebonden artikelen     

detailhandel in een assortiment goederen dat is gebaseerd op de behoeftes van een automobilist of diens passagiers;

1.44 Discotheek     

een gebouw, waarin de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het bieden van gelegenheid tot dansen op mechanische en/of levende muziek en het serveren van al dan niet alcoholhoudende dranken;

1.45 Ecologische waarden     

de aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling;

1.46 Educatief medegebruik     

medegebruik gericht op (de overdracht van) kennis;

1.47 Equivalent geluidniveau     

het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid. Het energetisch gemiddelde wordt berekend volgens de methode zoals omschreven in de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999);

1.48 Etmaalwaarde     

de hoogste van de volgende drie waarden van het equivalente geluidsniveau:

  • de waarde over de periode 07.00-19.00 uur (dag);
  • de met 5 dB(A) verhoogde waarde over de periode 19.00-23.00 uur (avond);
  • de met 10 dB(A) verhoogde waarde over de periode 23.00-07.00 uur (nacht);

1.49 Erf     

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

1.50 Erotisch getinte vermaaksfunctie     

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

1.51 Extensieve (dag)recreatie     

die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving zoals wandelen en fietsen en die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf;

1.52 Extensief recreatief medegebruik     

recreatief medegebruik dat in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, en dat slechts beperkt beslag op de ruimte legt. Voor het extensieve recreatief medegebruik is geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk, maar kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes. Onder extensief recreatief medegebruik wordt in elk geval niet verstaan gebruik zoals paintball, boerengolf, een maïsdoolhof en gemotoriseerde sporten;

1.53 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.54 Gebruiken     

het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;

1.55 Gebruiksgerichte paardenhouderij     

een paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en/of de in- en verkoop van paarden, niet zijnde een manege;

1.56 Geluidgevoelige functies     

bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder dan wel het Besluit geluidhinder;

1.57 Geluidgevoelige gebouwen     

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder, dan wel het Besluit geluidhinder;

1.58 Geluidsbelasting     

etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats;

1.59 Geluidsruimte     

equivalent geluidvermogen in dB(A)/m2;

1.60 Geluidszone     

geluidzone als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder;

1.61 Geluidszoneringsplichtige inrichting     

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.62 Gevaarlijke stoffen     

ontplofbare stoffen en voorwerpen, samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, brandbare vloeistoffen, brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen, stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen, stoffen die de verbranding bevorderen, organische peroxiden, giftige stoffen, infectueuze stoffen, bijtende stoffen, andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn; een en ander indien en voor zover zij zijn aangewezen krachtens artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

1.63 Glastuinbouwbedrijf     

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen in kassen;

1.64 Groepsaccommodatie     

een gebouw, geen appartement, motel of pension zijnde, dat blijkens zijn indeling geschikt en bestemd is voor een groep of groepen te dienen als recreatief verblijf;

1.65 Grenswaarde     

de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting;

1.66 Grondgebonden agrarisch bedrijf     

een veehouderij met een bedrijfsvoering waarbij in overwegende mate ruwvoer van eigen land wordt betrokken en mest in overwegende mate op eigen land wordt afgezet, waarbij onder eigen land wordt verstaan land dat in eigendom is, gepacht of gehuurd is of om niet wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsvoering, alsmede een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, niet zijnde: een 1.63 glastuinbouwbedrijf;

1.67 Hobbymatig agrarisch gebruik     

het telen van gewassen en/of het houden van dieren, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf en niet zijnde een (volks)tuin;

1.68 Hogere waarde     

een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, dan wel het Besluit geluidhinder;

1.69 Hoofdgebouw     

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een (bedrijfs)woning aanwezig is, wordt voor de toepassing van het bepaalde over bijbehorende bouwwerken bij de (bedrijfs)woning die woning als hoofdgebouw aangemerkt;

1.70 Horeca     

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt, hieronder niet begrepen discotheken en dancings;

1.71 Horeca, categorie I     

horeca die wat betreft exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en daarmee qua openingstijden nagenoeg spoort en waar naast kleinere etenswaren alcoholvrije dranken worden verstrekt, zoals een lunchroom, koffiehuis, ijssalon, broodjeszaak, croissanterie, patisserie en crêperie, cafetaria, snackbar en shoarmazaak;

1.72 Horeca, categorie II     

horeca die wat betreft de exploitatievorm behoort bij en ondergeschikt is aan de hoofdfunctie van een bestemming, zoals een kantine;

1.73 Horeca, categorie III     

horeca waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt, die (deels) ter plaatse worden geconsumeerd, zoals een restaurant, bistro, poffertjeszaak, pannenkoekenhuis, hotel-restaurant, pension, pizzeria, Chinese restaurants;

1.74 Horeca, categorie IV     

horeca waar in hoofdzaak al dan niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, zoals een café, bar, eetcafé, pub, café-restaurant en zaalaccommodatie;

1.75 Horeca, categorie V     

horeca zoals een discotheek en dancing;

1.76 Houtteelt     

de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de melding en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet;

1.77 Huishouden     

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;

1.78 Industrieterrein     

een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder;

1.79 Intensieve veehouderij     

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals een rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet;

1.80 Kampeerauto     

een auto, waarin voorzieningen zijn getroffen voor recreatief nachtverblijf;

1.81 Kampeermiddel     

  1. een 1.122 tent, tentwagen, 1.80 kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.82 Kampeerterrein     

een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen, dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;

1.83 Kamphuis     

een gebouw dat periodiek dient voor recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers;

1.84 Kantoor     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.85 Kap     

een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5 graden met het horizontale vlak;

1.86 Kas     

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal;

1.87 Kleinschalig kamperen     

verblijfsrecreatie met een kleinschalig karakter op een agrarisch bouwperceel of op een woonperceel van tenminste 5.000 m2, in de vorm van een 1.82 kampeerterrein voor maximaal 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans;

1.88 Kwetsbaar object     

kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.89 Kwekerij     

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters, een en ander in de vorm van vollegrondsteelt dan wel 1.37 containerteelt;

1.90 Landbouwinrichting     

een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht;

1.91 Landschappelijke waarde     

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

1.92 Landschapselementen     

elementen in het landschap die bepalend zijn voor de kernkwaliteit van een gebied;

1.93 Loonbedrijf     

een bedrijf, gericht op het verrichten en leveren van diensten en de daarbij behorende producten aan agrarische bedrijven (agrarisch loonwerk), alsmede het verrichten van cultuurtechnische werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden;

1.94 Lpg-doorzet     

de afzet van lpg in m³ per jaar;

1.95 Maaiveld     

het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land of de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;

1.96 Maatschappelijke voorzieningen     

educatieve, sociale, culturele, levensbeschouwelijke, recreatieve, verzorgende, medische en overheidsfuncties, met ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.97 Manege     

bedrijfsactiviteiten met een publieksgericht karakter, die zijn gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur van paarden en pony’s en het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen), alsook ondergeschikte 1.72 horeca, categorie II ten dienste van deze activiteiten;

1.98 Nadere eis     

een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder d van de Wet ruimtelijke ordening;

1.99 Natuurlijke waarde     

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

1.100 Natuurkampeerterrein     

een kampeerterrein, gelegen in de natuur, met zeer bescheiden voorzieningen;

1.101 Natweeronderkomen     

een gebouw bestemd voor het realiseren van een kleinschalige voorziening voor uitsluitend de gasten van het kleinschalig kampeerterrein, niet zijnde een op de horeca gerichte voorziening als bedoeld in de Drank- en Horecawet;

1.102 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden     

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming;

1.103 Omgevingsvergunning     

vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.104 Ondergeschikte intensieve veehouderijtak     

een ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsomvang van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij voor de intensieve veehouderij een oppervlakte wordt aangewend van niet meer dan 250 m2;

1.105 Peil     

  1. peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. peil bouwwerk, geen gebouw zijnde: de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;

1.106 Permanente bewoning     

bewoning door een persoon of door groepen van personen van een voor recreatieve bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats;

1.107 Plankaart     

  1. de digitale verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied;
  2. de papieren kaart van het bestemmingsplan Buitengebied, met legenda en tekeningnummer;

1.108 Productgerichte paardenhouderij     

een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden;

1.109 Professioneel vuurwerk     

vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk;

1.110 Prostitutie     

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

1.111 Recreatiebedrijf     

een bedrijf ten behoeve van het organiseren van dagrecreatieve evenementen dan wel het verhuren van middelen ten behoeve van dagrecreatieve evenementen met bijbehorende opslagvoorzieningen;

1.112 Recreatief medegebruik     

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

1.113 Recreatief verblijf     

verblijf voor recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijk staande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;

1.114 Recreatiewoning     

een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.115 Seksinrichting     

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.116 Silo     

een bouwwerk dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van een agrarisch bedrijf;

1.117 Stacaravan     

een caravan die gedurende langere tijd op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan;

1.118 Stedenbouwkundig     

ruimtelijke verschijningsvorm van bebouwing, die wordt bepaald door de situering, aansluitende terreinen, bouwmassa's, gevelindeling en dakvormen;

1.119 Straalpad     

vrije ruimte die nodig is voor ongehinderde ontvangst van (radio-)signaal;

1.120 Teeltondersteunende kassen     

1.121 teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van 1.86 kassen;

1.121 Teeltondersteunende voorzieningen     

voorzieningen die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven:

  • verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating;
  • verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;
  • het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringing onkruidbestrijding, effectief omgaan met water) of
  • het voorkomen van schade door vorst;

1.122 Tent     

een in hoofdzaak uit textiel of ander daarmee vergelijkbaar materiaal vervaardigd onderkomen dat gemakkelijk is op te vouwen, bestemd voor recreatief verblijf;

1.123 Toeristische standplaats     

een plaatsingsmogelijkheid voor een kampeermiddel;

1.124 Trekkershut     

een kleinschalig gebouw bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en inrichting voor recreatief dag- en nachtverblijf is bedoeld;

1.125 Verblijfsrecreatie     

recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, recreatiewoningen, appartementen en/of recreatieverblijven, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden;

1.126 Vergisting     

het onder gecontroleerde omstandigheden (volledig afgesloten van lucht) afbreken van organische verbindingen door bacteriën waarbij methaangas vrijkomt;

1.127 Verplaatsing     

het verplaatsen van een in het plangebied reeds aanwezig agrarisch bedrijf naar een locatie waar nog geen agrarisch bouwvlak ligt;

1.128 Vloeroppervlak     

gezamenlijke oppervlakte van de bouwlagen;

1.129 Volkstuin     

een perceel grond dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de gebruiker bevindt, waarop de gebruiker gewassen teelt voor eigen gebruik;

1.130 Volwaardig (agrarisch) bedrijf     

een (agrarisch) bedrijf waaruit een zelfstandig en reëel inkomen voortkomt voor minimaal één huishouden;

1.131 Voorgevel     

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

1.132 Voorkeursgrenswaarde     

de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder dan wel het Besluit geluidhinder;

1.133 Vuurwerkbedrijf     

inrichting waar professioneel vuurwerk en/of meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig is;

1.134 Watergang     

een werk, al dan niet overdekt, dienend om in het openbaar belang water te ontvangen, te bergen, af te voeren en toe te voeren; de boven water gelegen taluds, bermen en onderhoudspaden daaronder mede verstaan;

1.135 Weggebonden goederen     

goederen ten behoeve van een automobilist of diens passagiers;

1.136 Wgh-inrichting     

een inrichting als bedoeld in onderdeel D van bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht;

1.137 Wijziging     

een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening;

1.138 Winkel     

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel;

1.139 Woning     

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.140 Woonhuis     

een hoofdgebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

1.141 Zorgboerderij     

een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen, al dan niet in de vorm van het ter plaatse woonachtig zijn, en al dan niet gecombineerd wordt met agrarische activiteiten, in die zin dat de personen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten.

Artikel 2 Wijze van meten     

2.1 Gebouwen en bouwwerken     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

a. de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; voorzover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, op de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken die niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen;

 

b. de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

c. de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

d. de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

e. de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

 

f. de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel.

2.2 Ondergeschikte bouwdelen     

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de plaatsing van gebouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden.

 

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte worden liftschachten, antennes, ventilatiekanalen en schoorstenen buiten beschouwing gelaten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Beekdallandschap     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch met waarden - Beekdallandschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het beekdallandschap, zoals die:
    1. in de laaggelegen delen van het beekdal tot uitdrukking komen in geomorfologisch waardevolle beekdalen met gradiënten (reliëf, bodem, water) in dwars- en lengterichtingen, een karakteristiek sloten- en beplantingspatroon haaks op de beek, beek- en slootoevers met variërende vegetatietypen en nauwelijks bebouwing;
    2. in de hoger gelegen delen tot uitdrukking komen in de grootschalige blokverkaveling, de openheid, afwisseling tussen weides en akkers, beplanting en bebouwing langs de wegen;
  2. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitzondering van een kwekerij, boomfruitteelt en houtteelt, met dien verstande dat:
    1. per bouwvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan;
    2. intensieve veehouderij niet is toegestaan, met dien verstande dat een bestaandeondergeschikte intensieve veehouderijtak blijft toegestaan;
    3. bloembollenteelt uitsluitend is toegestaan als wisselteelt als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering;
    4. aan het agrarische bedrijf ondergeschikte nevenactiviteiten, zoals een zorgboerderij, boerderijwinkel, loonbedrijfwerkzaamheden, het be- en verwerken van eigen producten of een daarmee gepaard gaande ontvangstruimte, mede zijn toegestaan;
  3. hobbymatig agrarisch gebruik;
  4. bos-, natuur- en landschapselementen;
  5. erfbeplanting c.q. landschappelijke inpassing van de agrarische bebouwing;
  6. paardrijbakken, voor zover aanwezig binnen het bouwvlak op het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan;
  7. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  8. de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van de waterberging;
  9. extensieve (dag)recreatie;
  10. affakkelpijpen ten behoeve van mijnbouw en afsluitvoorzieningen ten behoeve van een aardgastransportleiding, uitsluitend binnen een afstand van 100 m van de bestemming '';

met daarbij behorende:

  • gebouwen;
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden;

met dien verstande dat voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens bestaande opslagvoorzieningen buiten het bouwvlak.

3.2 Bouwregels     

Op de voor 'Agrarisch met waarden - Beekdallandschap' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Voor bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte en maximale bouwhoogte:
bouwwerk verplichte situering maximale oppervlakte max.

goothoogte
max.

bouw

hoogte
- gebouwen niet zijnde de bedrijfswoning;

- voeropslag-

voorzieningen

- mestopslag-

voorzieningen
- binnen het bouwvlak, met dien verstande dat bestaande opslagvoorziening-en en bestaande gebouwen buiten het bouwvlak zijn toegestaan;

- met inachtneming van het beginsel van bebouwingscon-

centratie;

- achter het woongedeelte;

- achter de aanduiding 'gevellijn'
- binnen het bouwvlak mag de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken (de bedrijfswoning, voer- opslagvoorzieningen en mestopslag- voorzieningen daaronder begrepen) maximaal bedragen 10.000 m2 met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' de gezamenlijke oppervlakte maximaal mag bedragen:

a. bij een grondgebonden agrarisch bedrijf:

- 20.000 m2 ter plaatse van de aanduiding 'grootschalig landbouwgebied'

- 13.000 m2 in overige gebieden;

b. bij intensieve veehouderij 13.000 m2;

2. ter plaatse van de aanduidingen 'paardenhouderij' en 'intensieve kwekerij' de gezamenlijke oppervlakte maximaal 5.000 m2 mag bedragen;



- buiten het bouwvlak mag de oppervlakte maximaal bedragen de bestaande oppervlakte
- binnen het bouwvlak: indien het perceel in bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhisto-risch zeer waardevol' 3,5 m, in overige gebieden 4,5 m, met dien verstande dat in alle gebieden ter plaatse van een inrijopening de maximale goothoogte 6 m mag bedragen over een breedte van niet meer dan 6 m en met dien verstande dat een maximale goothoogte alleen geldt voor gebouwen;



- buiten het bouwvlak: de bestaande goothoogte
- binnen het bouwvlak12 m;



- buiten het bouw- vlak: de bestaan-de bouw- hoogte
teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'intensievekwekerij' buiten het bouwvlak 1,5 m; binnen het bouwvlak 12 m
teeltondersteunende kassen ter plaatse van de aanduiding 'intensievekwekerij' en binnen het bouwvlak 4,5 m 12 m
paardrijbak, longeercirkel,

springtoestellen, stapmolen, trainingsmolen, geen gebouw zijnde
- binnen het bouwvlak en

- ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' dan wel ten behoeve van een productiegerichte paardenhouderij
4 m
paardrijbak als bedoeld in Bestemmingsomschrijving onder f binnen het bouwvlak 1,5 m
bedrijfswoning op de locatie van de huidige bedrijfswoning de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m2 3,5 m 8 m
bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning zie hierboven bij 'gebouwen' de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m2 3 m 6 m
erfafscheidingen binnen het bouwvlak, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan 2 m
erfafscheidingen binnen het bouwvlak, vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan 1 m
erfafscheidingen buiten het bouwvlak 1,5 m
bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen het bouwvlak 12 m
bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak 3 m
  1. per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedrijfswoning worden gebouwd;
  2. stallen mogen maximaal 1 bouwlaag bevatten ten behoeve van het houden van dieren;
  3. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
  4. nieuwe stallen mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien de lichtsterkte binnen niet meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 uur en 06.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling naar buiten met tenminste 90% reduceren;
  5. bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning mogen uitsluitend worden gerealiseerd, indien zij landschappelijk worden ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken.

3.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen (waaronder dakhelling) van de bebouwing ten behoeve van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de waterbergingscapaciteit;
  4. de milieusituatie;
  5. de verkeersveiligheid;
  6. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

3.4 Afwijken van de bouwregels     

3.4.1 Afwijken     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2 Bouwregels en kan worden toegestaan dat:

  1. de goothoogte van een gebouw op een perceel dat in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol' maximaal 4,5 m bedraagt, indien en voor zover het gebouw landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken en dat een goothoogte van 4,5 m goed kan worden ingepast;
  2. de goothoogte van een afwijkende stalvorm maximaal 7 m bedraagt, indien en voor zover de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken en dat een goothoogte van 7 m goed kan worden ingepast;
  3. de goothoogte van een opslagloods voor akkerbouwproducten maximaal 6 m bedraagt, indien en voor zover:
    1. de noodzaak aannemelijk is gemaakt;
    2. het gebouw landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  4. de bedrijfswoning op een andere locatie binnen hetzelfde bouwvlak wordt gebouwd, indien en voor zover de woning landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  5. buiten het bouwvlak een schuilstal voor vee wordt gebouwd, mits:
    1. het perceel niet is gelegen in de lage delen van het beekdal;
    2. het perceel niet is gelegen in een gebied dat in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol';
    3. de afstand van de stal tot de weg niet meer bedraagt dan 5 m;
    4. bij de stal ten minste 0,5 hectare cultuurgrond voor langere tijd in gebruik is voor agrarische bedrijfsvoering dan wel voor 1.67 hobbymatig agrarisch gebruik;
    5. de oppervlakte van de stal niet meer bedraagt dan 30 m2;
    6. de goothoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;
    7. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
    8. de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit;
    9. een uniforme materiaalkeuze wordt aangeboden;
    10. bij beëindiging van het gebruik als schuilstal, de schuilstal wordt verwijderd.
3.4.2 Afwegingskader     

Een in 3.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

3.5 Specifieke gebruiksregels     

3.5.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van stallen, waarvoor de omgevingsvergunning is getoetst aan dit bestemmingsplan, indien de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt dan wel de stal tussen 20.00 uur en 06.00 uur niet is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling naar buiten met tenminste 90% reduceren;
  2. het gebruik van schuilstallen voor het opslaan van landbouwgereedschap of (bouw)materiaal, als berging of als hobbyruimte;
  3. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak of buiten een ander bestemmingsvlak waarbinnen een (bedrijfs)woning is toegestaan als tuin;
  4. het niet (volledig) aanleggen van erfbeplanting die conform een erfinrichtingsplan, zoals voorgeschreven in (of gebaseerd op) een omgevingsvergunning, moet worden aangelegd;
  5. het vellen van de erfbeplanting die is aangelegd conform een erfinrichtingsplan of van beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
  6. het wijzigen of verplaatsen van houtsingels of andere landschappelijke inpassingselementen zonder een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan;
  7. het afgraven, egaliseren, ophogen en vergraven van zandkopjes, natuurlijk reliëf en dergelijke;
  8. het verwijderen van de in 3.1 bedoelde bos-, natuur- of landschapselementen.
3.5.2 Toegestaan gebruik     

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt niet gerekend:

  1. het binnen het bouwvlak vergisten, drogen, vergassen, destilleren van mest of andere landbouwkundige (bij)producten en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie (zoals elektriciteit of gas), indien en voor zover sprake is van de volgende wijze van be- of verwerking:
    1. het bedrijf verwerkt in hoofdzaak eigen mest of andere landbouwkundige (bij)producten en voegt eventueel eigen of niet eigen cosubstraten toe; het eventuele digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt;
  2. het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: het scheuren en frezen van grasland ten behoeve van graslandverbetering in de hoge delen van het beekdal.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels     

3.6.1 Afwijken     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.1 Bestemmingsomschrijving en kan worden toegestaan dat grond wordt gebruikt voor een 1.89 kwekerij, 1.25 boomfruitteelt of 1.76 houtteelt, indien en voor zover:

  1. de gronden in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden niet is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol';
  2. geen onevenredige aantasting kan plaatsvinden van de waarden van het beekdallandschap, genoemd in 3.1 Bestemmingsomschrijving;
  3. ter beoordeling van het bepaalde onder b een advies van een landschapsdeskundige is overgelegd.
3.6.2 Afwegingskader     

Een in 3.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

3.7.1 Verbod     

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen;
  2. het beplanten en/of bebossen van de hoger gelegen gronden met houtopstanden ter versterking van het landschap;
  3. het aanplanten van bomenrijen haaks op de beek met de van oudsher daarvoor gebruikte beplanting;
  4. het aanleggen van landschapselementen;
  5. het ophogen, ontgronden, egaliseren, ontginnen en diepploegen;
  6. het scheuren en frezen van grasland ten behoeve van graslandverbetering in de lage delen van het beekdal;
  7. het aanleggen, verwijderen en /of verharden van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen;
  8. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse buisleidingen;
  9. het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieboringen).
3.7.2 Uitzonderingen op verbod     

Het in 3.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
3.7.3 Strijd met de bestemming     

Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor (direct of indirect) een onevenredige aantasting kan plaatsvinden van de landschappelijke waarden van het beekdallandschap, genoemd in 3.1. Onder onevenredige aantasting wordt onder meer begrepen het aanplanten van bomenrijen anders dan haaks op de beek.

3.8 Wijzigingsbevoegdheid     

3.8.1 Wijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:

  1. het bouwvlak vergroten ten behoeve van uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf en daarbij de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' opnemen, indien en voor zover:
    1. de oppervlakte van het bouwvlak na uitbreiding niet meer bedraagt dan:
      • 2 hectare, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen niet meer mag bedragen dan 13.000 m2;
    2. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
    3. de uitbreiding milieutechnisch uitvoerbaar is;
    4. de uitbreiding uitvoerbaar is met het oog op beschermde flora en fauna;
    5. is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
    6. op het erf voldoende parkeercapaciteit aanwezig is en blijft;
    7. de toeleidende wegen geschikt zijn voor een toename van het aantal verkeersbewegingen en voor een eventuele verandering van het soort verkeer als gevolg van de uitbreiding;
    8. de uitbreiding landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
    9. een provinciaal doel uit de provinciale omgevingsvisie wordt gediend.
  2. het bouwvlak vergroten ten behoeve van uitbreiding van een intensieve veehouderij en daarbij de aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' opnemen, indien en voor zover:
    1. de oppervlakte van het bouwvlak na uitbreiding niet meer bedraagt dan 2 hectare , in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen, voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen niet meer mag bedragen dan 13.000 m2;
    2. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
    3. de uitbreiding milieutechnisch uitvoerbaar is;
    4. de uitbreiding uitvoerbaar is met het oog op beschermde flora en fauna;
    5. is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
    6. op het erf voldoende parkeercapaciteit aanwezig is en blijft;
    7. de toeleidende wegen geschikt zijn voor een toename van het aantal verkeersbewegingen en voor een eventuele verandering van het soort verkeer als gevolg van de uitbreiding;
    8. de uitbreiding landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
    9. sprake is van winst voor milieu/dierenwelzijn;
  3. een nieuw bouwvlak opnemen ten behoeve van verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf, indien en voor zover:
    1. is aangetoond dat vestiging in een bestaand bouwvlak niet mogelijk is;
    2. op de te verlaten locatie een knelpunt op het gebied van milieu of natuur wordt opgelost en de te verlaten locatie een andere, passende bestemming krijgt;
    3. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
    4. een bedrijfsplan is overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    5. vestiging plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'grootschalig landbouwgebied';
    6. de vestiging van het bedrijf op deze locatie milieutechnisch uitvoerbaar is;
    7. de vestiging van het bedrijf op deze locatie uitvoerbaar is met het oog op beschermde flora en fauna;
    8. is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
    9. op het erf voldoende parkeercapaciteit wordt aangelegd;
    10. de toeleidende wegen geschikt zijn of geschikt gemaakt kunnen worden voor de vestiging van een bedrijf op deze locatie, gelet op het aantal verkeersbewegingen en op het soort verkeer dat de vestiging meebrengt;
    11. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
    12. van deze bevoegdheid in het hele plangebied niet meer dan 20 keer gebruik is gemaakt;
  4. de aanduiding 'paardenhouderij' opnemen ter plaatse van een bestaand bouwvlak, indien en voor zover:
    1. een bedrijfsplan is overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een volwaardige, toekomstgerichte, gebruiksgerichte paardenhouderij;
    2. het bouwvlak wordt verkleind naar maximaal 1 hectare indien en voor zover dit in relatie tot de bestaande bebouwing mogelijk is;
    3. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  5. de aanduiding 'intensieve kwekerij' opnemen ter plaatse van een bestaand bouwvlak, indien en voor zover:
    1. een bedrijfsplan is overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een volwaardige, toekomstgerichte kwekerij;
    2. het bouwvlak is aangeduid als 'akkerbouw';
    3. het bouwvlak behorend bij de kwekerij maximaal 1 hectare bedraagt;
    4. het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden niet is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol gebied';
    5. geen onevenredige aantasting kan plaatsvinden van de waarden van het beekdallandschap, genoemd in 3.1;
    6. ter beoordeling van het bepaalde onder 3 een advies van een landschapsdeskundige is overgelegd;
    7. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  6. een aanduiding en regels opnemen ten behoeve van een mestopslagvoorziening op een perceel, buiten een agrarisch bouwvlak, waarop een bestaande

    mestopslagvoorziening aanwezig is, indien en voor zover:
    1. de mestopslagvoorziening aansluitend aan de bestaande opslagvoorziening wordt aangelegd;
    2. sprake is van maximaal een verdubbeling van de bestaande opslagcapaciteit;
    3. de mestopslagvoorziening landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
    4. per perceel niet meer dan eenmalig gebruik wordt gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid;
  7. een aanduiding en regels opnemen voor een mestopslagvoorziening buiten een agrarisch bouwvlak op een perceel waarop nog geen mestopslagvoorziening aanwezig is, indien en voor zover:
    1. binnen het bouwvlak aantoonbaar geen ruimte is (fysieke ruimte of milieuruimte) voor een mestopslagvoorziening;
    2. het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden niet is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol gebied';
    3. de mestopslagvoorziening landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit;
  8. de bestemming 'Agrarisch met waarden - Beekdallandschap' ter plaatse van een bouwvlak wijzigen ten behoeve van de functies wonen, bedrijfsdoeleinden, recreatieve doeleinden of zorgdoeleinden, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. de toegestane functie/activiteiten zijn uitsluitend in combinatie met de woonfunctie toegestaan;
    2. de toegestane functie/activiteiten moeten binnen de (bestaande) gebouwen plaatsvinden;
    3. voor de toe te stane functie/activiteiten moet er voldoende parkeercapaciteit op het bijbehorende erf aanwezig zijn;
    4. de toe te stane functie/activiteiten mogen niet tot gevolg hebben dat een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen plaatsvindt of dusdanig zwaar verkeer wordt aangetrokken waarop de bestaande (toeleidende) wegen niet zijn berekend;
    5. de nieuw functie/activiteiten mogen niet conflicteren met de provinciale kernkwaliteiten natuur, landschap, stilte, duisternis, aardkundig waardevol gebied, archeologie, cultuurhistorie en milieu- en leefomgevingskwaliteit;
    6. de toe te stane functie van bedrijfsdoeleinden is alleen bedoeld voor ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven zoals omschreven in de categorieën 1 en 2 van de Bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten of hiermee voor wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven;
    7. het onbebouwde erf mag niet voor de opslag van goederen en materialen en/of het stallen van voertuigen en machines ten behoeve van de nieuwe functie worden gebruikt;
    8. nabijgelegen bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels;
    9. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  9. de bestemming 'Agrarisch met waarden - Beekdallandschap' wijzigen in de in het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden opgenomen, bestemmingen 'Natuur', 'Water' en/of 'Bos - Beplantingsstrook' ten behoeve van natuurontwikkeling, indien en voor zover de grond onderdeel is van een provinciaal natuurbeheerplan en mits de inrichting plaatsvindt conform een door burgemeester en wethouders goed te keuren inrichtingsplan.
3.8.2 Afwegingskader     

Een in 3.8.1 genoemde wijziging kan slechts worden vastgesteld, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

Artikel 4 Wonen     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het wonen in een woonhuis;
  2. de waterhuishouding, waaronder retentievoorzieningen zoals vijvers;
  3. erfbeplanting c.q. landschappelijke inpassing;
  4. paardrijbakken, aanwezig op het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan;
  5. hobbymatig agrarisch gebruik;
  6. een hondenkennel bij de woning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen -hondenkennel', in een omvang (20 volwassen honden en tien pups) en met een bedrijfsvoering zoals is vastgelegd in het als bijlage 2 bij de toelichting gevoegde akoestisch onderzoek d.d.9 november 2015 van Bloemberg Akoestiek.

met daarbij behorende:

  • gebouwen;
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.

4.2 Bouwregels     

Op de voor 'artikel 4 Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Voor bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. per bestemmingsvlak mag niet meer dan één woonhuis worden gebouwd;
  2. een woonhuis mag uitsluitend worden gebouwd op de locatie van het huidige woonhuis;
  3. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van niet minder dan 3 m achter de voorgevel van het woonhuis en niet meer dan 25 m van de dichtstbijzijnde gevel van het hoofdgebouw;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 250 m2;
  5. de goothoogte van het woonhuis mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  6. de bouwhoogte van het woonhuis mag niet meer bedragen dan 8 m;
  7. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m;
  8. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  9. de bouwhoogte van een erfafscheiding vóór de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan mag niet meer bedragen dan 1 m;
  10. de bouwhoogte van een erfafscheiding achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan mag niet meer bedragen dan 2 m;
  11. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m.

4.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

4.4 Afwijken van de bouwregels     

4.4.1 Afwijken     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.2 Bouwregels en worden toegestaan dat:

  1. het woonhuis op een andere locatie binnen hetzelfde bestemmingsvlak wordt gebouwd, indien en voor zover de woning landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  2. een bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een kleinere afstand tot de voorgevel van het woonhuis dan 3 m of op een grotere afstand tot de dichtstbijzijnde gevel van het woonhuis, indien en voor zover de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 250 m2 ten behoeve van het bouwen van veestallen voor hobbymatig agrarisch gebruik, mits:
    1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 500 m2 bedraagt;
    2. ten minste 0,5 hectare cultuurgrond voor langere tijd in gebruik is voor het hobbymatig agrarisch gebruik;
    3. de stal niet meer dan één bouwlaag bevat;
    4. de stal landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken;
    5. geen gebruik is gemaakt van de herschikkingsregeling, genoemd in 9.1.5 Herschikking bebouwing.
4.4.2 Afwegingskader     

Een in 4.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld, waaronder begrepen de architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  2. de landschappelijke inpassing;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.

4.5 Wijzigingsbevoegdheid     

4.5.1 Wijziging     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Wonen' wijzigen in de bestemming '' en daarbij een bouwvlak opnemen, al dan niet met de aanduiding 'paardenhouderij', indien en voor zover:

  1. de te wijzigen bestemming 'Wonen' grenst aan de bestemming '';
  2. het perceel is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'grootschalig landbouwgebied';
  3. de locatie een voormalige agrarische bedrijfslocatie betreft;
  4. een bedrijfsplan is overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een volwaardig toekomstgericht agrarisch bedrijf;
  5. de vestiging van een bedrijf op deze locatie milieutechnisch uitvoerbaar is;
  6. de vestiging van een bedrijf op deze locatie uitvoerbaar is met het oog op beschermde flora en fauna;
  7. is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke waarden van Natura 2000-gebieden;
  8. het te vestigen agrarisch bedrijf geen intensieve veehouderij betreft;
  9. van deze bevoegdheid in het hele plangebied niet meer dan 20 keer gebruik is gemaakt;
  10. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken.

Artikel 5 Waarde - Archeologie verwachtingswaarde     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'artikel 5 Waarde - Archeologie verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (verwachte) archeologische waarden, waarbij geldt dat deze bestemming ten opzichte van andere daar voorkomende bestemmingen van primaire betekenis is.

5.2 Bouwregels     

Op de voor 'artikel 5 Waarde - Archeologie verwachtingswaarde' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  1. bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 500 m2;
  2. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m, mits de aanvrager een bureau-onderzoeksrapport heeft overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau en burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.

5.3 Afwijken van de bouwregels     

5.3.1 Afwijken     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.2 en kan worden toegestaan dat bouwwerken ten dienste van en conform een andere daar voorkomende bestemming worden gebouwd met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m, mits de aanvrager een onderzoeksrapport heeft overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

5.3.2 Afwegingskader     

Een in 5.3.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend, indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische waarde geen bezwaar bestaat. Indien uit het in 5.3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het toestaan van de afwijking zullen worden verstoord, kunnen aan de omgevingsvergunning voor het bouwen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.3.3 Overleg provinciaal archeoloog     

Bij voorgenomen bodemingrepen in gebieden van provinciaal belang, zoals op Bijlage 4 Archeologische beleidskaart aangegeven bij Provinciaal Belang Archeologie, zal de gemeente contact opnemen met de provincie, namens deze de provinciaal archeoloog, alvorens over de omgevingsvergunning te beslissen.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

5.4.1 Verbod     

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. grondbewerkingen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m;
  2. het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, kilveren van grond;
  3. het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waar bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 0,3 m zal worden geroerd;
  4. het aanbrengen van drainage in gronden met de bestemming ''.
5.4.2 Uitzondering op verbod     

Het in 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. in het kader van archeologisch onderzoek ten behoeve van de beoordeling van de (on)evenredigheid van de aantasting als bedoeld in 5.4.4 van werkzaamheden als bedoeld in 5.4.1; hiertoe behoren niet werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek met als enig doel het doen van archeologisch onderzoek;
  2. die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;

hiertoe behoren bij landbouwkundig gebruik: grondbewerkingen tot een diepte van 0,3 m onder maaiveld; niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot maximaal 0,1 m onder de bouwvoor en het aanbrengen van drainage, met uitzondering van het aanbrengen van drainage in gronden met de bestemming '';

hiertoe behoren niet: diepploegen en mengwoelen dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, afgraven dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen, aanleggen of vergraven van sloten en het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

  1. die reeds in uitvoering zijn danwel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  2. waarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingswet;
  3. die de archeologische waarde niet onevenredig aantasten, hetgeen is gebleken uit een door aanvrager overgelegd, door burgemeester en wethouders goedgekeurd bureau-onderzoeksrapport van een daartoe bevoegd archeologisch bureau en burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
5.4.3 Overleg provinciaal archeoloog     

Bij voorgenomen bodemingrepen in gebieden van provinciaal belang, zoals op Bijlage 4 Archeologische beleidskaart aangegeven bij Provinciaal Belang Archeologie, zal de gemeente contact opnemen met de provincie, namens deze de provinciaal archeoloog, alvorens over de omgevingsvergunning te beslissen.

5.4.4 Strijd met de bestemming     

Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor (direct of indirect) een onevenredige aantasting kan plaatsvinden van het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde' verwijderen indien de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel     

6.1 Grond     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

6.2 Bedrijfswoning     

Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een (agrarische) bedrijfswoning worden mede in aanmerking genomen bestaande woningen welke als (agrarische) bedrijfswoning zijn gebouwd of als zodanig in gebruik zijn geweest. Dus ook woningen die ten gevolge van verkoop, verhuur, bedrijfssplitsing of andere transacties niet meer als (agrarische) bedrijfswoning fungeren, worden beschouwd als (agrarische) bedrijfswoning.

Artikel 7 Algemene bouwregels     

7.1 Parkeer-, laad- en losruimte     

7.1.1 Parkeerruimte     

Indien de omvang of het gebruik van een bouwwerk daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk hoort.

7.1.2 Afmetingen parkeerruimte     

De in 7.1.1 bedoelde parkeerruimte moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

  1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,8 bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen;
  2. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,5 bij 5 m bedragen.
7.1.3 Laad- en losruimte     

Indien het gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort.

7.1.4 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het aantal parkeerplaatsen, de situering van de parkeerplaatsen en de situering van de laad- en losruimte.

7.1.5 Afwijken     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.1.1 en 7.1.3:

  1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of
  2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

7.2 Bestaande maten     

In afwijking van de in de regels vermelde:

  1. maximale maatvoering geldt dat indien een grotere maatvoering aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, deze grotere maatvoering als maximum mag worden gehanteerd voor dat bouwwerk en voor uitbreidingen van dat bouwwerk, met dien verstande dat deze bepaling niet geldt voor oppervlaktes, maar wel voor de gezamenlijke maximale oppervlakte van bouwwerken - niet zijnde de bedrijfswoning, voeropslagvoorzieningen en mestopslagvoorzieningen - als bedoeld in 3.2 onder a;
  2. minimale maatvoering geldt dat indien een kleinere maatvoering aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, deze kleinere maatvoering als minimum mag worden gehanteerd voor dat bouwwerk en voor uitbreidingen van dat bouwwerk. Deze bepaling is ook van toepassing op bijbehorende bouwwerken die vóór de voorgevel van het woonhuis zijn gesitueerd.

7.3 Ondergronds bouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse bouwlagen zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen;
  2. ondergrondse bouwlagen zijn niet toegestaan onder stallen, waarbij mestputten niet als bouwlaag worden beschouwd.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels     

8.1 Strijdig gebruik     

Onder een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt begrepen:

  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van vrij kamperen, kleinschalig kamperen of een andere vorm van kleinschalige verblijfsrecreatie, met uitzondering van 1.19 bestaande1.82 kampeerterreinen, waar kleinschalig kamperen tot 25 kampeermiddelen is toegestaan;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed and breakfastvoorziening;
  3. het gebruik van de gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting, met uitzondering van de seksinrichtingen die zijn toegestaan in de bestemmingsomschrijving;
  4. het gebruik van de gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijke verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  5. het gebruik van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, met uitzondering van de opslag die is toegestaan in de bestemmingsomschrijving of in de branche gebruikelijk is bij de in de bestemmingsomschrijving genoemde activiteit;
  6. het gebruik van woonhuizen voor meer dan één woning;
  7. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van bewoning van één bijgebouw tot de bestaande oppervlakte op het adres Oranjekanaal Zuidzijde 2 (bijgebouw nr. 2a), te Wezuperbrug;
  8. het gebruik van gebouwen, anders dan woonhuizen, voor bewoning;
  9. het gebruik van gronden voor een paardrijbak, met uitzondering van gronden met de aanduiding 'paardenhouderij' en met uitzondering van gronden met de bestemming '';
  10. het zodanig gebruiken van gronden of bouwwerken dat daardoor eenmaal gerealiseerde parkeerplaatsen verloren gaan, die nodig zijn gelet op de omvang of het gebruik van bouwwerken als bedoeld in 7.1.1 Parkeerruimte dan wel gelet op het gebruik van het (bijbehorende) perceel.

8.2 Toegestaan gebruik     

Onder een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt niet verstaan:

  1. het gebruik van een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
  2. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend, dan wel een melding is gedaan;
  3. het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
    1. buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is;
    2. hoogspanningsleidingen;
    3. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer;

tenzij deze in het plan zijn bestemd;

  1. het stallen van werktuigen en materieel en het gebruik als wasplaats, beide uitsluitend ten behoeve van een werktuigenvereniging of boermarke, uitsluitend op de bestaande locaties;
  2. het gebruik van bestaande kramen en kiosken voor de bestaande activiteiten in de bestaande omvang;
  3. het gebruik van bestaande zorgboerderijen voor zorgboerderij;
  4. het gebruiken van een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting door een derde voor bewoning, zolang de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een opvolgende wet bepaalt dat een bedrijfswoning (voorheen) behorend tot een landbouwinrichting wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting;
  5. het gebruiken van bestaande datacommunicatiemasten voor datacommunicatie;
  6. het gebruiken van gronden en/of bouwwerken conform een in het verleden verleende vergunning;

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels     

9.1 Afwijkingsbevoegdheid     

9.1.1 10%     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages met uitzondering van de in de regels genoemde oppervlaktematen.

9.1.2 Wegen     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsregels ten behoeve van het beloop of het profiel van wegen of als de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven.

9.1.3 Overschrijding bouwgrenzen     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsregels in die zin dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.

9.1.4 Overschrijding bestemmingsgrenzen     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bestemmingsvlak in die zin dat de grenzen van het bestemmingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:

  1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen, dakgoten;
  2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
  3. erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;

mits de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden.

9.1.5 Herschikking bebouwing     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen voor het herschikken van de aanwezige bebouwing, indien en voor zover:

  1. de bestaande bebouwingsomvang meer dan 250 m2 maar niet meer dan 500 m2 bedraagt;
  2. het bebouwingsoppervlak in totaal niet toeneemt;
  3. de ruimtelijke samenhang op het perceel verbetert;
  4. de bouwmassa van een bijbehorend bouwwerk de bouwmassa van het hoofdgebouw niet overheerst;
  5. indien sprake is van waardevolle bebouwing, de hoofdvorm van deze bebouwing gehandhaafd blijft;
  6. nabijgelegen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels.
9.1.6 Woningsplitsing     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor het herbouwen of verbouwen van een woning, waarbij binnen het bestaande bouwlichaam maximaal twee wooneenheden worden gecreëerd, indien en voor zover:

  1. de aanvrager een erfinrichtingsplan heeft overgelegd dat door burgemeester en wethouders aanvaardbaar wordt geacht;
  2. indien sprake is van waardevolle bebouwing, de hoofdvorm van deze bebouwing gehandhaafd blijft;
  3. nabijgelegen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken en beide woningen niet meer bedraagt dan de bestaande oppervlakte, tenzij de bestaande oppervlakte minder bedraagt dan 250 m2, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m2.
9.1.7 Eenmalige uitbreiding niet-agrarische functies     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het plan voor het eenmalig uitbreiden van bestaande niet-agrarische bedrijfsfuncties tot maximaal 10% van de bestaande bedrijfsbebouwing, niet zijnde de bedrijfswoning, mits nabijgelegen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels.

9.1.8 Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het plan voor het gebruiken van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing voor de functies wonen, bedrijfsdoeleinden, recreatieve doeleinden en zorgdoeleinden, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de toegestane functie/activiteiten zijn uitsluitend in combinatie met de woonfunctie toegestaan;
  2. de toegestane functie/activiteiten moeten binnen de (bestaande) gebouwen plaatsvinden;
  3. voor de toe te stane functie/activiteiten moet er voldoende parkeercapaciteit op het bijbehorende erf aanwezig zijn;
  4. de toe te stane functie/activiteiten mogen niet tot gevolg hebben dat een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen plaatsvindt of dusdanig zwaar verkeer wordt aangetrokken waarop de bestaande (toeleidende) wegen niet zijn berekend;
  5. de nieuw functie/activiteiten mogen niet conflicteren met de provinciale kernkwaliteiten natuur, landschap, stilte, duisternis, aardkundig waardevol gebied, archeologie, cultuurhistorie en milieu- en leefomgevingskwaliteit;
  6. de toe te stane functie van bedrijfsdoeleinden is alleen bedoeld voor ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven zoals omschreven in de categorieën 1 en 2 van Bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten of hiermee voor wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven;
  7. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor het herbouwen of verbouwen van een woning, waarbij binnen het bestaande bouwlichaam maximaal twee wooneenheden worden gecreëerd. van één extra wooneenheid in een bedrijfswoning, waarbij de bedrijfswoning mag worden verbouwd en herbouwd, indien en voor zover:
  8. nabijgelegen bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels.
9.1.9 Gebruik gronden     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het plan voor het gebruik van gronden dat het directe gevolg is van een voor een bepaalde bouwkundige situatie te verlenen vergunning, mits nabijgelegen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid, stof, geur en hindercirkels.

9.1.10 Kleinschalig kamperen     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1 voor het gebruik van gronden ten behoeve van 1.87, met dien verstande dat:

  1. de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot het dichtstbijzijnde kampeerterrein of terrein voor kleinschalig kamperen in beginsel ten minste 500 m bedraagt;
  2. de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot de naastgelegen woning van een derde ten minste 50 m bedraagt;
  3. de gronden van het kleinschalig kampeerterrein direct aansluiten aan het erf van de woning van de aanvrager;
  4. het kleinschalig kampeerterrein in gebruik is in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober en wordt aangetoond dat buiten deze periode het terrein leeg van kampeermiddelen zal zijn;
  5. het terrein op een goede wijze landschappelijk wordt ingepast, afgestemd op het gebiedseigen karakter;
  6. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van:
    1. de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied en de directe omgeving daarvan;
    2. de waardevolle essen in het gebied en de directe omgeving daarvan, met de bestemming '';
    3. de stedenbouwkundige structuur van de bebouwing en omgeving;
  7. de te realiseren voorzieningen alleen worden bestemd voor een natweeronderkomen en uitsluitend voor eigen gasten;
  8. de te realiseren voorzieningen in bestaande gebouwen worden verwezenlijkt en niet meer dan 100 m² bedragen;
  9. het parkeren van komende en gaande bezoekers van het kleinschalig kampeerterrein op eigen terrein plaatsvindt;
  10. van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt voor gronden:
    1. met de bestemming '' of '' dan wel direct grenzend aan de bestemming '' of '';
    2. die in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden zijn aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol'.
9.1.11 Tijdelijk groepskamperen     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1 voor het gebruik van gronden ten behoeve van tijdelijk groepskamperen, met dien verstande dat deze vergunning alleen verleend kan worden als:

  1. de afstand van het tijdelijk groepskampeerterrein tot de naastgelegen woning van een derde ten minste 50 m bedraagt;
  2. de gronden van het tijdelijk groepskampeerterrein direct aansluiten aan het erf van de woning van de aanvrager;
  3. het tijdelijk groepskamperen plaatsvindt in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober en aangetoond wordt dat buiten deze periode het terrein leeg zal zijn;
  4. het aantal dagen per groepskamperen ten hoogste 10 bedraagt;
  5. op de betreffende gronden geen trekkershutten, chalets of stacaravans worden geplaatst;
  6. het terrein op een goede wijze landschappelijk wordt ingepast, afgestemd op het gebiedseigen karakter.
9.1.12 Gebouwen kampeerterrein     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het plan voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van een kampeerterrein, mits:

  1. een vergunning als bedoeld in 9.1.11 is verleend ten behoeve van het gebruik van de betreffende gronden voor verblijfsrecreatieve doeleinden in de vorm van kleinschalig kamperen;
  2. voldoende is aangetoond dat in de bestaande gebouwen op het perceel geen voorzieningen voor het kleinschalig kampeerterrein kunnen worden gerealiseerd, althans dat de oppervlakte die daarvoor in de bestaande gebouwen kan worden aangewend minder dan 50 m2 bedraagt;
  3. de oppervlakte van de nieuw te bouwen gebouwen niet meer dan 50 m2 per kampeerterrein bedraagt;
  4. de goot- en bouwhoogte aansluiten bij de bestaande bebouwing;
  5. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van:
    1. de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied en de directe omgeving daarvan;
    2. de waardevolle essen in het gebied en de directe omgeving daarvan, met de bestemming '';
    3. de stedenbouwkundige structuur van de bebouwing en omgeving.
9.1.13 Bed & breakfast     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1 voor het realiseren van een bed & breakfastvoorziening, waarbij aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

  1. een bed and breakfastvoorziening wordt gerealiseerd in een (bedrijfs)woning, waarvan de initiatiefnemer zelf de hoofdbewoner is; de bed and breakfastvoorziening moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a kan een bed and breakfastvoorziening ook in een bijbehorend bouwwerk bij een woning worden gerealiseerd, mits:
    1. het bijbehorend bouwwerk:
      • wettelijk beschermd is als monument of
      • is vermeld op de lijst met karakteristieke panden die als bijlage bij de toelichting is opgenomen;
      • vanwege zijn gaafheid het behouden waard is en het naar de agrarische functie die het in het verleden gehad heeft verwijst, of
      • beeldbepalend is en bijdraagt aan de cultuurhistorische beleving van de omgeving, of
      • op de cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als gebouw met cultuurhistorische waarde;
    2. en geen sprake is van een permanente woonsituatie, dat wil zeggen dat het bijbehorend bouwwerk niet alle voorzieningen mag bevatten die nodig zijn c.q. gebruikelijk zijn voor zelfstandige bewoning. Daarbij is de afwezigheid van een afzonderlijke entree of van afzonderlijke nutsvoorzieningen niet van belang. Uit een door aanvrager over te leggen inrichtingstekening moet expliciet blijken dat er sprake is van een bed & breakfastvoorziening;
  3. het parkeren ten behoeve van de bed & breakfastvoorziening moet op eigen terrein plaatsvinden;
  4. aan de brandveiligheidseisen zoals die in de bouwverordening en het Bouwbesluit zijn opgenomen moet worden voldaan;
  5. nabijgelegen bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt of belemmerd op basis van de milieuaspecten bodem, geluid en hindercirkels.
9.1.14 Opslag     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1 voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin ten behoeve van een in de bestemmingsomschrijving genoemde activiteit, indien en voor zover de opslag landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken.

9.1.15 Paardrijbak     

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.1 voor een paardrijbak, indien en voorzover:

  1. een minimale afstand van 30 m wordt aangehouden tot (bedrijfs)woningen van derden;
  2. de locatie van de paardrijbak is gelegen:
    1. bij de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Beekdallandschap', '' of '': binnen het bouwvlak van de bedrijfswoning van de aanvrager, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan;
    2. bij de overige bestemmingen: binnen het bestemmingsvlak van de (bedrijfs)woning van de aanvrager, achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan;
  3. de totale oppervlakte van de paardrijbak niet meer bedraagt dan 800 m2;
  4. de bouwhoogte van de afrastering/omheining, bij voorkeur uitgevoerd middels houten hekwerk of linten in gedekte kleuren die harmoniëren met de natuurlijke omgeving, niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  5. maximaal 4 verlichtingspalen worden geplaatst met een maximale bouwhoogte van 6 m, in gedekte kleuren en zodanig uitgevoerd dat lichtoverlast voor de omgeving wordt voorkomen;
  6. maatregelen worden getroffen ter voorkoming van stofoverlast voor de omgeving.

9.2 Afwegingskader     

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in 9.1.5, 9.1.6, 9.1.7, 9.1.8, 9.1.9, 9.1.10, 9.1.11, 9.1.12 gepaard gaat met een door hen nader te bepalen, door de belanghebbende uit te voeren onderzoek dat de ruimtelijke kwaliteit van het bouw(project) waarborgt. Zij kunnen daarbij eisen dat de bebouwing landschappelijk wordt ingepast conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 1 Notitie ruimtelijke kwaliteit en waarin, indien en voor zover het perceel in Bijlage 5 Beleidskaart cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden is aangegeven als 'cultuurhistorisch zeer waardevol', is aangetoond dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, genoemd in Bijlage 2 Gebiedskarakteristieken. Burgemeester en wethouders beslissen op basis van de resultaten van genoemde onderzoeken over de wenselijkheid van de te verlenen vergunning.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de aanduiding 'akkerbouw' van de verbeelding verwijderen ten behoeve van de omschakeling naar een grondgebonden veehouderij, met dien verstande dat van deze bevoegdheid in totaal niet meer dan 5 keer gebruik mag worden gemaakt.

Artikel 11 Algemene procedureregels     

11.1 Nadere eisen     

Voor een besluit tot het stellen van een nadere eis geldt de volgende voorbereidingsprocedure:

  1. het voornemen ligt, met bijhorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;
  2. de terinzagelegging wordt vooraf bekend gemaakt in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze;
  3. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden tot het naar voren brengen van zienswijzen gedurende de onder a genoemde termijn;
  4. burgemeester en wethouders delen aan hen die zienswijzen naar voren hebben gebracht de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 12 Overige regels     

12.1 Werking wettelijke regelingen     

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

12.2 Verwijzing naar adressen     

De adressen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, betreffen de adressen zoals deze op de plankaart zijn terug te vinden ten tijde van de vaststelling van het plan.

12.3 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening     

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, met uitzondering van de voorschriften ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  1. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige regels;
  2. het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen en
  3. de ruimte tussen bouwwerken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 13 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Eerste reparatieplan Buitengebied.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van:

Bijlage bij regels     

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

De gemeenteraad van Coevorden stelde het bestemmingsplan “Buitengebied Coevorden” op 9 december 2014 gewijzigd vast. Tegen dit besluit werden diverse beroepen (5 stuks) ingediend.

De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 16 maart 2016 (kenmerk 201501702/1/R4) (zie bijlage 1) uitspraak gedaan en het besluit van de raad van de gemeente Coevorden van 9 december 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied Coevorden” vernietigd, voor zover het betreft:

a. De aanduiding “bouwvlak” voor het perceel Zweeloërstraat 20 te Noord-Sleen;

b. Artikel 38, lid 38.2, aanhef en onder j, van de planregels (betreft Oostereind 31 te Erm).

Onderhavig bestemmingsplan “Buitengebied Coevorden, eerste reparatieplan” voorziet in de reparatie van de door de Afdeling vernietigde onderdelen van het hierboven genoemde raadsbesluit van 9 december 2014 i.z. bestemmingsplan “Buitengebied Coevorden”.

1.2 Vigerend bestemmingsplan     

Het vigerende bestemmingsplan is het “bestemmingsplan Buitengebied Coevorden” (vastgesteld 9 december 2014). Het uitgangspunt van onderhavig reparatieplan is uitsluitend het herstel van de door de Raad van State vernietigde plandelen, waarvoor de Raad van State aan de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om een nieuw besluit te nemen met in acht name van de uitspraak van de Raad van State. De uitspraak van de Raad van State is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

Met uitzondering van de vernietigde delen blijven toelichting, regels , verbeelding en uitgevoerde onderzoeken t.b.v. bestemmingsplan Buitengebied Coevorden” van toepassing op dit reparatieplan.

Hoofdstuk 2 Het plangebied     

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit 2 locaties/percelen, namelijk:

  1. Zweeloërstraat 20 te Noord-Sleen
  2. Oostereind 31 te Erm

Zweeloërstraat 20, Noord-Sleen (bron: maps.google.nl)

Oostereind 31, Erm (bron: maps.google.nl)

Hoofdstuk 3 Beleid     

Het van toepassing zijnde Rijks-, Provinciaal en Gemeentelijke beleid staat omschreven in de toelichting op het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden (vastgesteld 9 december 2014) en is onverminderd op dit reparatieplan van toepassing.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke kader en beeldkwaliteit     

Het van toepassing zijnde ruimtelijk kader en beeldkwaliteit staat omschreven in de toelichting op het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden (vastgesteld 9 december2014) en is onverminderd op dit reparatieplan van toepassing.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten     

Het onderzoek naar de omgevingsaspecten is gedaan in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden (vastgesteld 9 december 2014). Deze onderzoeksresultaten zijn onverminderd op dit reparatieplan van toepassing.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet     

6.1 Zweeloërstraat 20, Noord-Sleen     

In beroep is ingebracht dat het nieuwe bestemmingsplan niet geheel overeenkomt met de vergunde situatie op basis van het oude bestemmingsplan. De gemeente heeft dit in de procedure erkend en toegezegd deze aanpassing te zullen meenemen in een reparatieplan. De Afdeling draagt in haar uitspraak de gemeenteraad op om voor het agrarisch bouwvlak op dit perceel een nieuw besluit te nemen.

In dit ontwerp bestemmingsplan is het agrarisch bouwvlak voor Zweeloerstraat 20 te Noord-Sleen (gewijzigd) ingetekend als onderstaand. Het agrarisch bouwvlak is door middel van archeologisch onderzoek volledig onderzocht. De aangetroffen sporen zijn gedocumenteerd conform het programma van eisen dat door de gemeente aan de initiatiefnemer is opgedragen. De rapportage van het onderzoek is de gemeente ter hand gesteld (in concept: Dr. T.J. ten Anscher ‘Bewoningssporen uit de Bronstijd en IJzertijd te Noord Sleen, Gemeente Coevorden; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding; RAAP-RAPPORT 3157’ ). Door het archeologisch onderzoek zijn de aanwezige sporen vernietigd. Er is derhalve geen reden om de eerder opgenomen dubbelbestemming archeologie binnen het bouwvlak te handhaven.

6.2 Oostereind 31, Erm     

De afdeling stelt in zijn uitspraak voorop “dat een kennel als aanwezig op het perceel Oostereind 31 in Erm (met binnen- en buitenkennels en waarbij een groot aantal honden wordt gehouden) gezien de ruimtelijke uitstraling ervan, niet zonder meer toelaatbaar is in een woonbestemming. Wel kan de raad dit in een bestemmingsplan mogelijk maken indien gebleken is dat het woon- en leefklimaat in de omgeving daardoor niet onaanvaardbaar wordt aangetast.”

De vernietigde planregel gaf – aldus de afdeling – onvoldoende duidelijkheid over het (maximale) aantal honden dat in de kennel mag worden gehouden en over de locatie van (met name) de buitenverblijven. Dit reparatieplan voorziet in een nieuwe regeling voor de hondenkennel op het perceel Oostereind 31 te Erm, door:

  • toevoeging van het akoestisch onderzoek d.d. 9 november 2015, als bijlage bij de toelichting.
  • toevoeging van een aanduiding sw-h (specifieke vorm van wonen – hondenkennel) aan de verbeelding aan het perceel Oostereind 31 te Erm;
  • toevoeging van een lid f. aan artikel 4 van de regels (Wonen) onder 4.1:

    f. een hondenkennel bij de woning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hondenkennel' (sw-h), in een omvang (20 volwassen honden en tien pups) en met een bedrijfsvoering zoals is vastgelegd in het als bijlage 2 bij de toelichting gevoegde akoestisch onderzoek d.d.9 november 2015 van Bloemberg Akoestiek.

In de als lid f aan artikel 4 (Wonen), toegevoegd aan de planregel van het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden, wordt v.w.b. de omvang van de hondenkennel (maximaal 20 volwassen honden en 10 pups) en de bedrijfsvoering (waar bevinden zich de binnen- en buitenkennels) een directe koppeling gelegd met het akoestisch onderzoek, waarin wordt aangetoond dat een kennel van deze omvang en met deze bedrijfsvoering een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving niet in de weg staat.

Daarmee is voldaan aan hetgeen de Afdeling in zijn uitspraak v.w.b. nadere motivatie heeft gesteld.

Vervolgens zijn ook de onderliggende enkel bestemming Wonen en dubbelbestemming Waarde-Archeologische verwachtingswaarde uit het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden overgenomen.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid     

De uitvoerbaarheid van het plan is aangetoond in het bestemmingsplan Buitengebied Coevorden (vastgesteld 9 december 2014)

Hoofdstuk 8 Procedure     

8.1 Vooroverleg     

Omdat het voorliggende plan een reparatie van het bestemmingsplan Buitengebied betreft is er geen vooroverleg gevoerd met belanghebbende instanties (provincie Drenthe en waterschap Vechtstromen). Dit vooroverleg is wel gevoerd in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied. Dit wordt voldoende geacht.

8.2 Zienswijzen     

Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Wel zijn er de volgende aanpassingen/ambtshalve wijzigingen:

Onder 6.1. van de toelichting is een (ontbrekend) plaatje van het gewijzigd ingetekende bouwvlak toegevoegd.

Door direct betrokkene de heer G.W.M. Schuttenbeld (eigenaar Zweeloërstraat 20 Noord-Sleen) is mondeling aangegeven dat t.b.v. de nieuwbouw van het agrarisch bedrijf het agrarisch bouwvlak door middel van archeologisch onderzoek reeds volledig is onderzocht. Er is daarom geen reden om de in het ontwerp bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemming (Waarde-Archeologische verwachtingswaarde) te handhaven. Dit betekent dat de opgenomen archeologische dubbelbestemming binnen het bouwvlak kan komen te vervallen. De verbeelding is aangepast en in de toelichting is dit onder 6.1. verwoord. Dit wordt als ambtshalve wijziging meegenomen.

Bijlage bij toelichting