direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Valkenburgerweg 141
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Valkenburgerweg te Heerlen, tussen de huisnummers 139 en 143, is een thans onbebouwd perceel gelegen. Initiatiefnemer is voornemens een vrijstaand woonhuis te realiseren op het betreffende perceel.

In het voorheen geldende bestemmingsplan Welten-Kommert maakte de locatie (samen met de percelen Valkenburgerweg 143 t/m 147 en Zuster Xavier Nolenslaan 1) deel uit van de bestemming 'Handel, nijverheid en industrie', waarbij voor dit hele gebied twee dienstwoningen mochten worden gebouwd. Deze bouwtitels zijn in het vigerende bestemmingsplan Heerlen-West niet overgenomen. Het perceel heeft conform dat bestemmingsplan de bestemming 'Tuin'. Ook is op de verbeelding (plankaart) een aanduiding opgenomen vanwege de archeologische waarde van het gebied.

De gewenste ontwikkeling is niet toegestaan binnen de bestemming 'Tuin' en past derhalve niet binnen het geldende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is ook geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan deze ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het dan ook noodzaak om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het betreffende kavel. Onderhavig plan voorziet in dit bestemmingsplan.

1.2 Situering plangebied

Het plangebied is gelegen in het westen van Heerlen, in het stadsdeel Heerlen-Stad en in de buurt Welten/Benzenrade. Welten/Benzenrade vormt de overgang vanaf Heerlen-Stad richting het Zuid-Limburgse Heuvelland. In deze buurt liggen onder meer het Zuyderland Medisch Centrum, de Zuyd Hogeschool en de Open Universiteit. De buurt ligt ingeklemd tussen de N281 ten oosten en de A76 ten westen van de buurt. Ten zuiden van het plangebied loopt de A79 vanuit Heerlen richting Maastricht en ten zuidwesten van het plangebied kruist deze de A76 ter hoogte van knooppunt Kunderberg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0001.jpg" Satellietfoto van Heerlen (plangebied rood omlijnd)


Het plangebied is gelegen aan de Valkenburgerweg 141 te Heerlen. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als een deel van de gemeente Heerlen, sectie H, nummer 3430. Het totale perceel heeft een oppervlakte van 2.550 m². Het perceel grenst aan de noordzijde aan de Valkenburgerweg. Aan de andere zijden wordt het perceel omsloten door woonkavels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0002.jpg" Kadastrale gegevens perceel (plangebied groen gekleurd)

1.3 Juridische planstatus

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Heerlen-West', dat door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld d.d. 5 juli 2006 en door Gedeputeerde Staten van Limburg goedgekeurd d.d. 27 februari 2007. Conform dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Tuin' en de aanduiding 'Gebied van zeer hoge archeologische waarde, niet wettelijk beschermd'. Zoals in paragraaf 1.1 reeds is aangegeven past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen deze bestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0003.jpg" Uitsnede plankaart bestemmingsplan Heerlen-West

1.4 Planvorm

De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.

Elk bestemmingsplan is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Onderhavig bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl, nummer NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0301.

1.4.1 Toelichting

In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en inspraak.

1.4.2 Regels

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden.

Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen schrijft de SVBP de wijze voor waarop een planregel is opgebouwd en hoe de regels worden ingedeeld (vaste hoofdstukindeling).

1.4.3 Verbeelding

De verbeelding geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, bestemmingen en aanduidingen weergegeven. Het bestemmingsplan onderscheidt een digitale en een analoge verbeelding. Beide verbeeldingen zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding beslissend.

De digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van het bestemmingplan (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld.

Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.

De analoge verbeelding bestaat uit één blad en heeft een schaal van 1:500. De legenda legt een verbinding tussen de bestemmingen, aanduidingen en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, symbolen en topografische ondergrond(en).

1.4.4 Ondergrond

De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen.

Na vaststelling van het bestemmingsplan is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met het bestemmingplan verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge verbeelding, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale verbeelding. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up-to-date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de vastgestelde ondergrond bepalend.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling van het plangebied. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6  beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en hoofdstuk 8 geeft een beeld van de doorlopen bestemmingsplanprocedure en het gevoerde overleg.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor het rijksbeleid, het provinciaal en regionaal beleid en het gemeentelijk beleid, van toepassing voor het bestemmingsplan Valkenburgerweg 141, toegelicht.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt.

Gezien de aard en omvang van het planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro).

De ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

Kern van de ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien.

Indien een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling toestaat, is een zorgvuldige onderbouwing nodig. Deze wordt gevormd door de treden van de ladder uit te werken:

  • Trede 1: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte (kwantitatief en kwalitatief)?
  • Trede 2: kan die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio worden opgevangen, door benutting van beschikbare gronden (met aandacht voor mogelijkheden van herstructurering of transformatie)?
  • Trede 3: zo nee, is er voor de voorgenomen stedelijke ontwikkeling sprake van een locatie die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld?

Het doorlopen van deze treden zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.


Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een vrijstaande woning binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk. Conform het Bro dient aan de ladder te worden getoetst bij een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Wanneer geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, kan een toets aan de ladder achterwege blijven. Uit jurisprudentie blijkt dat kleinschalige woningbouwplannen niet als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' kunnen worden aangemerkt. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) aangegeven dat de volgende ontwikkelingen niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kwalificeren: drie woningen en een burgerwoning (ECLI:NL:RVS:2014:2138), drie woningen rechtstreeks en drie woningen met een wijzigingsbevoegdheid (ECLI:NL:RVS:2013:2471), vier woningen (ECLI:NL:RVS:2014:3223), zeven woningen (ECLI:NL:RVS:2014:2077) en acht woningen (ECLI:NL:RVS:2014:4720). De ABRS overwoog daarbij steeds het volgende:
"Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is".


Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat bij plannen voor de realisatie van maximaal acht woningen geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het onderhavige bouwplan aan de Valkenburgerweg 141 gaat het om een toevoeging van één woning. Deze ontwikkeling kwalificeert dan ook niet als een stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan derhalve achterwege blijven.

2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.

In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:

  • rijksvaarwegen;
  • mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • defensie;
  • hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • elektriciteitsvoorziening;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • ecologische hoofdstructuur;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.


Conclusie
Uit het Barro vloeien geen bepalingen voort die rechtsreeks doorwerken in onderhavig bestemmingsplan.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om ernaartoe te gaan en vooral ook om hier te blijven.

Verder staat in het POL kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.


Visie Zuid-Limburg
De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.

Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0004.jpg" Uitsnede kaart 1 POL2014 (plangebied blauw omlijnd)


Zonering 
Op kaart 1 'Zonering Limburg', kaart 6 'Wonen en leefbaarheid' en kaart 10 'Landschap en cultuurhistorie' van het POL is het plangebied aangeduid als '(overige) bebouwd gebied'. Het overige bebouwd gebied bestaat uit gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Binnen dit type gebied ligt het accent voornamelijk op transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, een balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en kwaliteit van de leefomgeving.

Op onderhavig plan is vooral het aspect wonen van toepassing. Met betrekking tot het aspect wonen is in het POL2014 aangegeven dat de Limburgse woningmarkt terug naar de werkelijkheid moet. Kwantitatief dient de woningmarkt bij de demografische ontwikkeling aan te sluiten en dat vooral in Zuid-Limburg geanticipeerd moet worden op 'krimp'. De programmering dient hier nu al rekening mee te houden en dit vergt andere benaderingen, zoals inbreiding en planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q. maken) van het aanbod aan huurwoningen, en het planologisch niet meer uitbreiden van hetgeen er al in overvloed is.

Ook kwalitatief gezien dient het woningaanbod in te springen op maatschappelijke en demografische gegevens. In de toekomst zal er bijvoorbeeld meer vraag zijn naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, aanpasbare en levensloopbestendige woningen en energiezuinige woningen. De uitdaging zit in het realiseren van voldoende geschikte woonruimte binnen een woningvoorraad die verder zal afslanken. De oplossing moet dan ook met name worden gezocht in de bestaande woningvoorraad en nieuwbouw in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging.

Ten aanzien van de woningvoorraad dient invulling gegeven te worden aan het begrip dynamisch voorraadbeheer. Daarbij wordt gewerkt aan de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad, door kwaliteitsverbetering en waar nodig sloop, alsmede het terugdringen van de planvoorraad die niets bijdraagt aan de nieuwe kijk op de woningmarkt. Daarnaast is er slechts ruimte voor nieuwe toevoegingen aan de voorraad als deze echt kwaliteit toevoegen en samengaan met het schrappen van slechte voorraad.

Het dynamisch voorraadbeheer wordt verder uitgewerkt in provinciale en regionale woonvisies en woningmarktprogrammeringen. Onderhavig woonhuis is reeds toegevoegd aan de Regionale woningmarktprogrammering 2013-2016. In paragraaf 2.3.3 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast wordt in paragraaf 2.3.2 ingegaan op de Regionale woonstrategie 2012-2020. Voorafgaand daaraan wordt in paragraaf 2.2.3 nader ingegaan op de Provinciale Woonvisie 2010-2015.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0005.jpg" Uitsnede kaart 9 POL2014 (plangebied rood omlijnd)

Regionaal watersysteem
Op kaart 9 'Regionaal watersysteem' uit het POL2014 is het plangebied aangeduid als 'Waterbeheer bebouwd gebied'. Het waterbeheer is er voornamelijk op gericht om wateroverlast en watertekort te voorkomen. Ten aanzien van de aanpak van wateroverlast staat strategische waterberging centraal. Het is daarbij van belang dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand blijft en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt. Wanneer door een ontwikkeling het verhard oppervlak toeneemt, dient dit te worden gecompenseerd door het realiseren van extra ruimte voor waterberging en infiltratiecapaciteit in de buurt van de ingreep.

De afvoer van water vanuit bebouwd gebied dient zo veel mogelijk te worden beperkt. Dit kan door het water af te koppelen en het regenwater vervolgens te laten infiltreren. Bij nieuwbouw en herstructurering dient het water volledig afgekoppeld te worden en bij bestaande bebouwing wordt een maximale afkoppeling binnen grenzen van doelmatigheid nagestreefd. De voorkeursvolgorde is te allen tijde 'vasthouden/infiltreren - bergen - (gescheiden)' afvoeren.

Ten aanzien van de aanpak van watertekort hanteert de provincie Limburg de voorkeursvolgorde 'sparen - aanvoeren - accepteren/adapteren'. Deze aanpak is met name van belang voor de landbouw.

Het beleid ten aanzien van water is door de provincie nader uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan. In paragraaf 5.3 wordt hier nader op ingegaan. In die paragraaf wordt ook het nationale, regionale (o.a. waterschap) en lokale beleid ten aanzien van water besproken.

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone.

In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.

Verder bevat de Omgevingsverordening de bepaling dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad (ofwel de woningen die zijn opgenomen in de voor 5 juli 2013 vastgestelde ruimtelijke plannen en die nog niet zijn gerealiseerd). Uitzondering hierop vormt een woningbouwplan dat voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'.


afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0006.jpg" Uitsnede kaart 2 Omgevingsverordening Limburg 2014 (plangebied blauw omlijnd)


Op kaart 2 'Duurzame verstedelijking en wonen' is het plangebied aangeduid als 'Bebouwd gebied' en 'Wonen Zuid-Limburg'. Met onderhavig plan wordt de realisatie van een woning mogelijk gemaakt op een perceel waar thans geen bouwtitel aanwezig is. In het kader van duurzame verstedelijking geeft de omgevingsverordening aan dat aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden getoetst, indien een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In paragraaf 2.1.2 is reeds aandacht besteed aan de ladder. Daarbij is geconcludeerd dat gezien de aard en omvang van de ontwikkeling geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Specifiek voor de regio Zuid-Limburg zijn de regels ten aanzien van woningbouw verder aangescherpt. In artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is aangegeven dat het niet toegestaan is om nieuwe woningen aan de bestaande woningvoorraad toe te voegen, mits:

  • Het nieuwe woningen betreft die voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg';
  • Het een ruimtelijk plan betreft dat op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden vastgesteld;
  • Het een uitwerkingsplan betreft als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro.

In onderhavige situatie is geen sprake van een uitwerkingsplan of het vaststellen van een plan op basis van een rechtelijke uitspraak. In de volgende paragraaf (2.2.3) wordt beoordeeld of het plan onder de werking van de gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg' valt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0007.jpg" Uitsnede kaart 10 Omgevingsverordening Limburg 2014 (plangebied rood omlijnd)


Op kaart 10 'Normering regionale wateroverlast' is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. Zoals op de kaart te zien is geldt voor het plangebied een norm van 1:100 ten aanzien van regionale wateroverlast. In de waterparagraaf (paragraaf 5.3) wordt nader ingegaan op het aspect water.

2.2.3 Gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'

De Omgevingsverordening Limburg 2014 zet een rem op het vaststellen van ruimtelijke plannen voor de functie wonen in Zuid-Limburg. Daarom wordt met de verordening de kraan voor nieuwe plannen vrijwel dichtgedraaid. De Omgevingsverordening maakt alleen onderscheid tussen plannen voor woningbouw op grond van de juridische status, niet op grond van inhoud of locatie. Dat laatste gebeurt in de gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'. Die bevat de uitzondering voor plannen die wel toelaatbaar zijn. Ruimtelijke plannen voor nieuwe woningen mogen alleen worden vastgesteld als deze voldoen aan de criteria die genoemd zijn in deze gewijzigde beleidsregel.

In de gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg' is opgenomen dat paragraaf 2.4. Wonen Zuid-Limburg, van de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet van toepassing is indien:

  • a. het plan voldoet aan de eisen van artikel 1 én 2, of
  • b. het plan deel uitmaakt van één van de in artikel 3 genoemde projecten, of
  • c. naar het oordeel van Gedeputeerde Staten wegens bijzondere omstandigheden de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de Omgevingsverordening, of
  • d. het plan de toevoeging van maximaal één woning mogelijk maakt.

In onderhavig plan wordt de realisatie van één woning mogelijk gemaakt. Er is dan ook sprake van uitzonderingssituatie d. zoals hierboven benoemd. Het woningbouwplan is dan ook toelaatbaar op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'.

2.2.4 Provinciale woonvisie

Op 1 februari 2011 hebben Provinciale Staten van Limburg de Provinciale Woonvisie 2010-2015 vastgesteld. In deze visie is de ambitie van de provincie op het gebied van wonen uiteengezet en is de rol van regisseur die de provincie binnen dit beleidsveld wil vervullen nader beschreven.

In de woonvisie is nadrukkelijk rekening gehouden met de gevolgen van de bevolkingsdaling voor het woonbeleid van de verschillende woonregio's. Dit leidt tot een gedifferentieerde benadering per regio.

Zuid-Limburg wordt nu al sterk beïnvloed door de krimp. Voor heel Zuid-Limburg wordt voor de periode 2010-2030 een afname van de woningvoorraad met 16.000 woningen verwacht. De Stadsregio Parkstad neemt hierbij binnen Zuid-Limburg een bijzondere positie in. De kwantitatieve sloopopgave in Parkstad is becijferd op ruim 13.000 woningen tot 2020. Om dit te bereiken hanteert de provincie voor Parkstad m.b.t. de woningvoorraadontwikkeling een beleid met als kwantitatief uitgangspunt: "een erbij is twee eraf".

Zowel Heerlen als Parkstad hebben van meet af aan bedenkingen geuit tegen dit kwantitatieve uitgangspunt. Reden daarvoor is, dat een rigide toepassing van dit principe, investeringen in het verbeteren van de woningvoorraad per definitie financieel onhaalbaar maakt. De regio Parkstad heeft het provinciaal woonbeleid - met uitzondering van dit principe - verder uitgewerkt in haar eigen woonbeleid, dat tevens het woonbeleid voor de gemeente Heerlen vormt. Een samenvatting van dit beleid is opgenomen in paragraaf 2.3.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg

De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:

  • Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land;
  • Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten;
  • Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen;
  • Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.

De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's:

Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur
Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren.

Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht
Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte.

Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking
Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour.

Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid
De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een vrijstaand woonhuis binnen het bestaand stedelijk gebied van Heerlen en derhalve is hoofdzakelijk het thema 'Wonen' aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0008.jpg" Uitsnede 'ontwikkelingskaart wonen' Structuurvisie Parkstad Limburg

Het plangebied is op de 'ontwikkelingskaart wonen' van de intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg aangeduid als 'Bestaand woongebied / herstructureringsgebied'. Het algemene beleid ten aanzien van wonen is gericht op inbreiden in plaats van uitbreiden van de stedelijke contour. Daarnaast verdient structuurversterking en herstel van stadsranden, centra en radiaalwegen de aandacht.

In onderhavig plan wordt een bouwtitel toegevoegd aan open perceel binnen het bestaand stedelijk gebied. Het perceel is gelegen aan de Valkenburgerweg, dat een radiaalweg vormt binnen Parkstad Limburg. Door het opvullen van de open kavel is sprake van inbreiding en wordt de structuur ter plaatse van de Valkenburgerweg versterkt. Daarmee wordt aangesloten bij het algemene beleid ten aanzien van wonen.

Op basis van de kaart behorend bij het thema wonen is de regionale relevantie van het gebied waarbinnen het plangebied is gelegen gekwalificeerd als klasse M op een schaal van S tot en met XL. Een gebied met relevantie 'M' kenmerkt zich door een laagstedelijk en suburbaan gebiedstype. De bouwhoogte is veelal ? 2 bouwlagen plus kap en dichtheid betreft minder dan 40 woningen per hectare. Bij het uitwerken van het definitieve bouwplan dient te worden aangesloten bij de voorgenoemde kenmerken van de bebouwde omgeving.

De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod, waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op bestemmingsplan Valkenburgerweg 141.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0009.jpg" Uitsnede kaart 'thema: wonen' Structuurvisie Parkstad Limburg

2.3.2 Regionale woonstrategie Limburg 2014

Onder regie van de regio Parkstad Limburg werken de Parkstadgemeenten en de woningcorporaties samen aan het woonbeleid voor onze regio. In dit kader heeft de Parkstad Raad op 11 december 2006 de Regionale Woonvisie op Hoofdlijnen vastgesteld. De visie markeerde de overgang van groei naar krimp en had als voornaamste doel het afremmen van de woningbouwproductie met het oog op de demografische ontwikkelingen. In de later vastgestelde Herstructureringsvisie Parkstad is vervolgens de verdunningsopgave per stadsdeel gekwantificeerd en vastgesteld in een "envelop". Deze enveloppen zijn nog steeds maatgevend voor het invullen van herstructureringsopgaven.

Bij het uitvoeren van deze opgaven is echter gebleken dat er nog vele knelpunten bestaan diede uitvoering vertragen. Daarom hebben Parkstad en de Parkstadgemeenten ervoor gekozen om niet weer een nieuwe woonvisie te maken, maar een woonstrategie, gericht op het oplossen van knelpunten bij de uitvoering. Die regionale woonstrategie: "Kiezen voor Parkstad", is op 17 december 2012 vastgesteld door de Parkstadraad. Een drietal thema's zijn tijdens de gevoerde gebiedsgesprekken aangeduid als centrale vraagstukken voor de woningvoorraad en vormen voor deze woonstrategie de afzonderlijke hoofdstukken:

  • Beperken omvang plancapaciteit met meer sturing op kwaliteit en duurzaamheid
  • Aanpak particuliere voorraad
  • Doorstroming, focus op doelgroepen

De aanpak zal per thema verschillend van aard zijn. Parkstad heeft hierin een sturende en faciliterende rol, maar zonder bijdragen van haar partners kunnen de voorgenomen activiteiten niet worden uitgewerkt. Bij de uitvoering van deze woonstrategie is een belangrijke rol voor externe partijen weggelegd, te denken aan de woningcorporaties en marktpartijen. Deze partners worden dan ook intensief bij de uitvoering betrokken.

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van één woning die reeds is opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering. In navolgende paragraaf wordt daar verder aandacht aan besteed.

2.3.3 Regionale woningmarktprogrammering 2013-2016

Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie heeft de Parkstadraad op 11 december 2013 de regionale woningmarktprogrammering voor de periode 2013-2016 vastgesteld. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken.

In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt.

De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie. Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën:

  • Categorie 1: herstructureringsprojecten
  • Categorie 2: goede projecten.
  • Categorie 3: de juiste plek verdient de juiste woning.
  • Categorie 4: toevoegen, maar tegelijk slopen is essentieel
  • Categorie 5: te veel concurrentie
  • Categorie 0: éénpitters

Bij de vraag of een nieuw initiatief kan worden opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering, wordt getoetst aan de transformatieopgave voor het betreffende woongebied waarin dat plan is gelegen. Een nieuw initiatief kan worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering, indien het aantal toe te voegen woningen kleiner dan of gelijk is aan nul (bijvoorbeeld bij een herstructureringsgebied met sloop en vervangende nieuwbouw) óf indien het een project betreft in een woongebied met een verdichtingsopgave met woningen waarin de programmering nog niet voorziet.

Onderhavig plan valt in categorie 0. Het gaat bij die categorie om particuliere initiatieven, zoals nieuwbouw, opsplitsing en samenvoeging, die geen onderdeel zijn van een groter bouwproject en/of kaveluitgifte. In bijlage 1 van de Regionale woningprogrammering 2013-2016 is een lijst opgenomen met projecten die reeds in de programmering zijn opgenomen. Onderhavig plan maakt eveneens onderdeel uit van deze lijst.

Dit plan voorziet in het juridisch-planologische kader waarmee een woonhuis dat reeds is opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering 2013-2016 kan worden gerealiseerd. Het plan voorziet niet in de toevoeging van nieuwe woningen die nog niet zijn opgenomen binnen de regionale woningmarktprogrammering. Derhalve past het plan binnen de regionale woningmarktprogrammering 2013-2016.

2.3.4 Ontwerp Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

Op dit moment is de Structuurvisie wonen Zuid-Limburg in ontwerp. Formeel gezien mist deze dan ook toepassing. In dit plan wordt echter wel zo veel mogelijk rekening gehouden met het bepaalde in deze visie.

De Ontwerp Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten (waaronder Heerlen), vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. De gemeenten erkennen dat onderlinge concurrentie, met de huidige demografische ontwikkelingen, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Doel van de visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goede functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus.

In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal. In de visie wordt uitgegaan van de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. De transformatieopgave is koersbepalend voor de omvang van de woningvoorraad. Ontwikkelingen worden dan ook altijd getoetst aan de transformatieopgave, zodat de gemeenten elkaar onderling controleren op de wijze waarop wordt omgegaan met die opgave en nieuwbouw kwalitatief niet meer concurreert met de bestaande woningvoorraad. Uitgangspunt hierbij is dat toevoeging van woningen moet leiden tot vernieuwing en niet tot 'meer van hetzelfde'. Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad en de huishoudensontwikkeling.

Voor het gebied Zuid-Limburg is een éénduidige woonmilieukaart Zuid-Limburg ontwikkeld waarin drie woonsferen worden onderscheiden: stedelijk, suburbaan en landelijk. Vervolgens is per woonsfeer een visie opgesteld. In onderhavig plan is de suburbane woonsfeer van belang. Bij deze woonsfeer is sprake van kwantitatief het grootste overschot van woningen en geldt derhalve een verdunningsopgave. In buitenwijken, tuindorpen/mijnkolonies en de suburbaan aan te merken stadswijken in Parkstad Limburg en de Westelijke Mijnstreek is er sprake van een substantieel aanbodoverschot. Het woonmilieu 'ruim opgezet wonen' is echter nog steeds zeer aantrekkelijk en houdt een relatief grote marktvraag.

Om invulling te geven aan deze opgave zijn tien beleidsafspraken gemaakt. De afspraken I tot en met V hebben achtereenvolgens betrekking op:

  • I. het vaststellen van een subregionale woningmarktprogrammering;
  • II. het inperken van de plancapaciteit voor woningbouw door het schrappen van onbenutte bouwmogelijkheden;
  • III. het tweejaarlijks vaststellen van de transformatieopgave;
  • IV. het jaarlijks afstemmen van de subregionale woningmarktprogrammering;
  • V. het prioriteren van de herinvulling van waardevol bestaand vastgoed in de regionale woningmarktprogrammering;
  • VI. het maken van een afweging om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen en het compenseren van nieuwe woningbouwinitiatieven;
  • VII. het verdunnen van met name suburbane woonmilieus;
  • VIII. het starten van een aanpak particulier woningbezit starten, gericht op het verkleinen van de leegstand en het vergroten van de kwaliteit van de particuliere woningvoorraad;
  • IX. zorgen voor voldoende zorggeschikte woningen voor zorgbehoevenden met een zorgindicatie van ZZP 3 en ZZP 4;
  • X. het zorgdragen voor voldoende aanbod betaalbare huurwoningen.

De afspraken I, III, IV en V zijn voornamelijk voor de gemeente Heerlen zelf van belang in het kader van de (sub)regionale woningmarktprogrammering. Zoals in paragraaf 2.3.3 reeds naar voren is gekomen, is onderhavig plan reeds opgenomen binnen de regionale woningmarktprogrammering. Deze plancapaciteit wordt met onderhavig plan dan ook benut, waardoor beleidsafspraak II niet langer van toepassing is. Ook afspraak VI is niet van belang. Doordat het plan al is opgenomen binnen de regionale woningmarktprogrammering is het plan feitelijk gezien geen 'nieuw' initiatief dat aan de woningmarktprogrammering wordt en vervolgens gecompenseerd dient te worden. Ten aanzien van nieuwe initiatieven zijn verder de afspraken VII tot en met X van belang. Daarmee wordt gestuurd op 'de juiste woning op de juiste plaats'. Omdat het geen nieuw initiatief betreft is dit niet aan de orde in dit geval.

Gelet op het feit dat onderhavig plan reeds deel uitmaakt van de regionale woningmarktprogrammering, mist de (ontwerp) Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg verder toepassing op onderhavig plan. Bovendien is in de structuurvisie aangegeven dat, ondanks het overschot in woningen binnen de suburbane woonsfeer, het woonmilieu 'ruim opgezet wonen' nog steeds zeer aantrekkelijk is en een relatief grote marktvraag houdt. Onderhavig plan voorziet in het ruim opgezette kavel voor een woning. Het plan past dan ook binnen de (ontwerp) Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

2.3.5 Herstructureringsvisie

In december 2009 heeft het Parkstadbestuur de "Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020" vastgesteld, die in januari 2010 door de raden van de Parkstadgemeenten is bekrachtigd. De Herstructureringsvisie geeft inzicht in de gebieden waar in Parkstad Limburg transformatie van de woningvoorraad nodig is, in het licht van de teruglopende en veranderende woningbehoefte, om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur. Per gemeente en voor geheel Parkstad is de transformatie-opgave tot en met 2020 geformuleerd in de vorm van een 'envelop'. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave), zodat de partners gestimuleerd worden om afwegingen te maken: soms kan het verstandiger zijn een 'papieren plan' te stoppen dan een daadwerkelijke woning te slopen. Met overzichtskaarten is aangegeven waar de herstructureringsopgave gaat 'landen', waarbij onderscheid is gemaakt in drie typen gebieden:

Beheergebieden
In deze gebieden vindt, buiten de eventuele realisatie van ABC-plannen, geen herstructurering van de woningvoorraad plaats. Binnen beheergebieden kunnen wel overige ontwikkelingen plaatsvinden, niet zijnde woningbouwherstructurering.

Verdunningsgebieden
In verdunningsgebieden zal de verdunningsopgave landen. Dit zijn gebieden waar een kwaliteitsslag gemaakt kan worden door verdunning, voor wat betreft o.a. het wonen, het verminderen van druk op het openbaar gebied, vergroening en verbetering van leefbaarheid in het algemeen. Hierbij kan gedacht worden aan sloop en nieuwbouw, maar ook aan bijvoorbeeld samenvoeging en aanpassing van woningen.

Ontwikkelingsgebieden
Dit zijn gebieden waar door de gemeenten (en partners), in het kader van de krimp, reeds integrale plannen zijn opgesteld die structuur- en functieverandering omvatten en die bekend zijn in de gemeente. Naast ontwikkelingsgebieden in het kader van de krimp, kunnen ook nog andere (grootschalige) ontwikkelingen binnen de gemeenten gepland of in uitvoering zijn die losstaan van de krimpopgave. Tevens kan in een aantal ontwikkelingsgebieden een deel van de verdunningsopgave landen.

Daarbij is als een van de voorwaarden voor realisatie gesteld dat de 'envelop' jaarlijks dient te worden gemonitord. Partijen (gemeenten en corporaties) hebben afgelopen periode verzocht de Envelop te actualiseren.

Geactualiseerde Envelop herstructureringsvisie Parkstad Limburg 2012 - 2020
De "Envelop 2012" is zoals gesteld het kwantitatief kader voor de periode 2012-2020. De Envelop is per 2012 ingeperkt tot de thema's demografie en leegstand. Voor Heerlen geldt als opgave 1.380 woningen aan de woningmarkt te onttrekken. Daarvan dienen 310 woningen te worden onttrokken als gevolg van demografische ontwikkelingen en 1.070 woningen om de leegstand tot 2% terug te brengen.

De in november 2010 geactualiseerde envelop bevat voor Heerlen tot 2020 een netto verdunningsopgave van 5.000 wooneenheden en een vervangingsopgave van 6.800 wooneenheden. Voor Heerlen-Stad betekent dit een onttrekking van in totaal 640 woningen.

Het plangebied is gelegen binnen een beheergebied. Hier zal geen herstructurering van de woningvoorraad plaatsvinden. Binnen beheergebieden kunnen wel overige ontwikkelingen plaatsvinden, niet zijnde woningbouwherstructurering. Op de verbeelding is aangegeven dat het lint rondom de Valkenburgerweg versterkt dient te worden. In dat opzicht past het planvoornemen binnen de kaders van de herstructureringsvisie. Door het opvullen van de open plek in het lint, wordt dit lint versterkt.

De toevoeging van één woning zal niet of nauwelijks zorgen voor een toename van de leegstand elders. Zoals in de voorgaande subparagraaf al blijkt is de woning al opgenomen in het regionale woningmarktprogramma. De onttrekking van woningen en herstructurering van woongebieden is voornamelijk voorzien elders binnen Heerlen. Derhalve mist de herstructureringsvisie verdere toepassing op het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0010.jpg" Uitsnede herstructureringsvisie Parkstad Centrum en Heerlen-Stad (plangebied rood omlijnd)

2.3.6 Structuurvisiebesluit Wonen

Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema wonen. Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad.

Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.

Beleidsbesluit
In haar regionaal woonbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale woningvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de woningvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders.

Vigerende bestemmingen woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering). Daarnaast zullen geen bestemmingsplannen in procedure worden gebracht die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad, tenzij deze zijn opgenomen in of passen binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).

In het vigerende bestemmingsplan 'Heerlen-West' is geen woonbestemming toegekend aan het perceel aan de Valkenburgerweg 141. De bouwtitel voor één vrijstaande woning die met dit bestemmingsplan wordt toegevoegd aan het perceel, is opgenomen in de Regionale woningmarktprogrammering 2013-2016. Het plan past dan ook binnen het structuurvisiebeleid wonen.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035

Op 7 juli 2015 is de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld door de gemeenteraad van Heerlen. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst.

De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed.

Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt.

Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema's centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.

Vitale stad
In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen.

Centrale stad
In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor.

Innovatieve stad
In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering.

Verrassende stad
In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het "Verhaal van Heerlen" tot uitdrukking komt.

Gezien de aard en omvang van het planvoornemen zijn de thema's 'Centrale stad', 'Innovatieve stad' en 'Verrassende stad' niet of nauwelijks van toepassing op het plangebied. Het thema 'Vitale stad' is wel aan de orde en daarom wordt hieronder nader ingegaan op dit thema.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0011.jpg" Uitsnede structuurvisie Heerlen 2035

In de structuurvisie is aangegeven dat, ondanks de verdunnings- en herstructureringsopgaven, op kleine schaal behoefte zal blijven aan nieuwbouw. Uitgangspunt daarbij is dat kansrijke plekken in het bestaand stedelijk weefsel worden benut om op kleine schaal kwalitatief goede woningen te bouwen. Woningen op plekken die iets toevoegen aan de kwaliteit van de totale voorraad. Woningen die er nog niet zijn en die jongere of hogere inkomens aan de stad kunnen binden. Het beleid ten aanzien van de realisatie van nieuwbouwplannen is neergelegd in regionale beleidsstukken zoals de regionale woningmarktprogrammering (zie paragraaf 2.3.3) en het Structuurbesluit wonen (zie paragraaf 2.3.6).

Het plangebied is aangeduid als het woonmilieu 'Ruim opgezet wonen'. Een dergelijk wijk kent veelal vrijstaande woningen op ruime kavels en incidenteel twee-onder-een kapwoningen in lage woningdichtheden in de koopsector. Het betreft doorgaans sterke, kansrijke woonwijken waarbij de opgave veel meer is gericht op het buiten de deur houden van bedreigingen, bijvoorbeeld het aanbrengen van meer differentiatie in deze buurten door het realiseren van een beduidend mindere kwaliteit woningen.

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één vrijstaande nieuwbouwwoning. Een dergelijke woning past binnen het woonmilieu 'Ruim opgezet wonen'. De kavel ligt in een kansrijke woonbuurt en het betreft een kleinschalig plan met een kwalitatief een goede woning op de juiste plek. Het plan past dan ook binnen het beleid van de structuurvisie Heerlen 2035, mits eveneens wordt voldaan aan het regionale woonbeleid. In paragraaf 2.3 is reeds gebleken dat dit het geval is.

2.4.2 Groenbeleidsplan

Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd.

Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit.

In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten:

  • Het landschappelijke kader van Heerlen;
  • De hoofdgroenstructuur van Heerlen;
  • Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio;
  • Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap;
  • De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad';
  • De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel;
  • Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0012.jpg" Uitsnede Groenvisie Heerlen (concept 2012)

De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Omeen goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt.

Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

Het plangebied is gelegen binnen het stadsdeel Heerlen-centrum. De Valkenburgerweg is van oudsher een lint vanaf het centrum van Limburg richting Voerendaal. Het groenbeleid is erop gericht om de beekdalen van de Caumerbeek en de Geleenbeek, die beschouwd worden als stadsparken, op een representatieve te verbinden met het centrum van Heerlen en Parkstad. Om die reden is een aantal jaren geleden de Valkenburgerweg heringericht en zijn bomen aangeplant in de middenberm van deze weg. Zodoende vormt de Valkenburgerweg een groen lint vanuit het centrum van Heerlen richting 'stadspark' Geleendal en verder richting het buitengebied.

De buurt bestaat uit vrijstaande woningen die veelal omringd worden door tuinen. Daardoor heeft de woonbuurt een groene uitstraling. Er worden dan ook geen nieuwe ingrepen in de groenstructuur voorzien. Dit plan voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning. Rondom de woning wordt een tuin ingericht. Daarmee past de ontwikkeling binnen de stedenbouwkundige- en groenstructuur van de wijk.

2.4.3 Parkeernota Heerlen 2010

Op 2 november 2010 heeft de gemeenteraad de Parkeernota Heerlen 2010 vastgesteld. Aan de hand van deze parkeernota zet de gemeente Heerlen onder meer in op een bruisend en levendig stadscentrum, aantrekkelijke leefbare woonmilieus, een goede bereikbaarheid, een krachtig ondernemersklimaat en hoogwaardig onderwijs. Het parkeerbeleid moet bijdragen aan de totstandkoming van deze speerpunten. De visie op parkeren is dan ook als volgt geformuleerd:

'Heerlen streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte.'

De parkeerbalans is in evenwicht op het moment dat de parkeerbezetting ligt tussen de 50 en de 80 procent. Per gebied kan het moment waarop deze parkeerbezetting wordt gemeten verschillen. Uitgangspunt is dat de parkeerbezetting gemeten dient te worden als de gemiddelde parkeerbehoefte het hoogst is.

Voor een optimaal parkeerbeleid is het van belang dat er sprake is van een adequaat openbaar vervoer, dat de bereikbaarheid per fiets optimaal is en (zo nodig) de omliggende woonbuurten afgeschermd worden middels parkeren voor vergunninghouders.

Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat in de Parkeernota 2010 is aangeduid als 'schil'. Voor dergelijke gebieden geldt een parkeernorm van 1,8 per woning. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het type woning, koop of huur of de prijsklasse. Omdat het in onderhavig plan om de toevoeging van één woning gaat, bedraagt de parkeereis 1,8. Voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen tellen een oprit of garage niet volledig mee. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de berekeningsaantallen. Bij het ontwerp van het definitieve bouwplan wordt rekening gehouden met de parkeernorm van 1,8 en wordt de norm ingevuld aan de hand van de tabel met berekeningsaantallen. Conform het beleid van de gemeente Heerlen worden de parkeerplaatsen volledig op eigen terrein gerealiseerd. Het perceel is voldoende groot om in de parkeereis te voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0013.jpg"

Tabel berekeningsaantallen parkeernormen

2.4.4 Duurzaamheid en energie

Duurzaamheid betreft een integrale afweging van belangen voor de korte en de lange termijn, voor alle relevante stakeholders in het gebied en binnen de tijdshorizon. Uitgaande van de 'Triple PPP'-benadering (people-planet-prosperity) betekent duurzaamheid voor gebiedsinrichting en herstructurering dat de gebiedsinrichting zelf en het gebruik van het gebied toekomstbestendig moeten zijn. Daarbij dient de balans van voorraadgebruik (materiaal, energie) en belasting van de omgeving (lokaal, klimaat) waarde toe te voegen aan één of meer duurzaamheidsbelangen, rekening houdend met alle relevante stakeholders.

De belangrijkste duurzaamheidsbelangen zijn:

  • 1. klimaat en energie (adaptatie en mitigatie)
  • 2. leefomgeving (traditionele milieuthema's, zoals bodem, lucht, geluid, water en groen)
  • 3. duurzaam inkopen
  • 4. duurzame gebiedsinrichting
  • 5. duurzame mobiliteit
  • 6. duurzaam bouwen
  • 7. 'cradle-to-cradle' en economische kringlopen
  • 8. 'social return on investment'

Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele genoemde belangen, zoals leefomgeving en duurzaam bouwen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. Hierin zijn kaders geformuleerd voor de toepassing van het duurzaamheidsprincipe.

Energietransitie
Het gemeentelijk Klimaatbeleidsplan 2010-2020 gaat in op klimaatmitigatie en bevat naast een algemene ambitie een aanpak voor de thema's gemeentelijke organisatie, wonen, mobiliteit en bedrijven. De algemene ambitie voor 2020 bestaat uit het:

  • terugdringen van de CO2-uitstoot met minimaal 20% (ten opzichte van 1990);
  • verhogen van de energie-efficiëntie met 20%;
  • inzetten van duurzame energiebronnen met 20%;
  • én door zelf het goede voorbeeld geven en anderen uit te dagen en te stimuleren hier een bijdrage aan te leveren.

Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedokument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijke oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie.

Doorwerking plangebied
Het voorliggende bouwplan biedt de mogelijkheid om invulling te geven aan de ambitie om onze regio energieneutraal te maken door een hogere energieprestatie te kiezen dan standaard bouwbesluit. Een energie neutraal concept is de beste oplossing voor een duurzame toekomst. Met name in de ontwerpfase kan een hoog ambitieniveau ruimtelijke en architectonisch nog vertaald worden in een hoge energieprestatie en optimaal gebruik van zoninstraling.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving

3.1 Historie

Het plangebied is gelegen in het stadsdeel Heerlen-Stad en in de buurt Welten/Benzenrade. Deze buurt is voortgekomen uit het voormalige kerkdorp Welten. Dit dorp is oorspronkelijk agrarisch van karakter, maar is sinds lange tijd een vestigingsplaats voor forenzen. Het gebied is gelegen op de westelijke helling van het beekdal van de Geleenbeek. De brede zone van de oostelijke helling van het beekdal scheidt Welten en Heerlen-Centrum. Deze scheiding wordt versterkt door de N281 en is nog steeds zichtbaar in de vorm van groene zones.

De Valkenburgerweg, waaraan het plangebied is gelegen, vormt de uitvalsweg vanuit Heerlen richting Voerendaal en Valkenburg. Deze weg werd aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw bebouwd met hoofdzakelijk vrijstaande villa's en via de Pijnsweg is deze weg verbonden met het dorp Welten. Het oorspronkelijk agrarische karakter van de zone tussen de Pijnsweg en Heerlen is nog zichtbaar in de lange, diepe achtertuinen en weiden die tot aan de Geleenbeek reiken.

Door de aanleg van grote infrastructurele werken (N281, A76, A79, Nieuwe Eyckholt) zijn enerzijds barrières ontstaan, maar heeft de aanleg anderzijds geleid tot een duidelijke begrenzing. Hierdoor zijn aaneengesloten gebieden ontstaan die met een grotere vanzelfsprekendheid voor woningbouw in aanmerking kwamen. Op die manier zijn de Valkenburgerweg en Pijnsweg opgegaan in een groter woongebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0014.jpg" Satellietfoto omgeving plangebied (plangebied rood omlijnd)

3.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied maakt deel uit van een woonzone die is gelegen tussen de Welterlaan en de wijkontsluitingsweg Nieuwe Eyckholt. Het woongebied wordt doorsneden door de Valkenburgerweg, die vanaf het centrum van Heerlen in westelijke richting naar Voerendaal loopt.

Rondom de Valkenburgerweg en de oostelijk gelegen Pijnsweg is een villazone gelegen. Binnen deze zone zijn enkele monumentale panden gelegen, zoals het rijksmonument Villa Eikhold. De zone rondom de Valkenburgerweg bestaat overwegend uit vrijstaande woningen, bestaande uit twee bouwlagen met een kap en een grote tuin. De dakvorm en nokrichting verschilt per woning, evenals de goot- en bouwhoogte. Ten zuiden van het plangebied, tussen de Valkenburgerweg en de Welterlaan, zijn overwegend bungalows te vinden. De bungalows bestaan uit één tot twee bouwlagen, waarvan de eerste bouwlaag bij sommige woningen geheel of gedeeltelijk ondergronds is gebouwd.

De nieuwe woning zal aan de Valkenburgerweg worden gebouwd, in of vlak achter de voorgevelrooilijn die wordt doorgetrokken vanaf de woning aan de Valkenburgerweg 143. De bouwmogelijkheden die worden geboden zijn conform de standaard van de gemeente Heerlen en daarmee past de nieuwe woning ruimtelijk gezien binnen woonzone rondom de Valkenburgerweg.

3.3 Mobiliteit

Het woongebied waarbinnen het plangebied is gelegen wordt omsloten door verschillende doorgaande wegen. Aan de noordzijde ligt de Nieuwe Eyckholt, die de Looierstraat verbindt met de Valkenburgerweg en de A79, die samen met de J.F. Kennedylaan deel uitmaakt van een ringwegstelsel met een belangrijke wijkontsluitingsfunctie. De stadsautoweg N281 en de autosnelweg A76 vormen de begrenzing aan de oost- respectievelijk westzijde van de woonzone. De A79 / Welterlaan begrenst de woonzone in het zuiden en is via af- en opritten gekoppeld aan de Pijnsweg en de J.F. Kennedylaan.

Het plangebied is gelegen aan de Valkenburgerweg. Dit betreft een oud lint vanuit Heerlen in de richting van Voerendaal. Ter plaatse geldt een snelheidsregime van maximaal 50 km/uur. De weg wordt verder via de J.F. Kennedylaan en de Pijnsweg ontsloten op de A79. De A79 heeft ten zuidwesten van het plangebied een aansluiting op de A76 en ten zuidoosten van het plangebied op de N281.

De Valkenburgerweg is opgenomen in verschillende lijnbusdiensten van het openbaar vervoer in de regio. Een halte is gelegen op ongeveer 150 meter van het plangebied. Met ongeveer acht bussen per uur is het plangebied ook per openbaar vervoer relatief goed ontsloten.

3.4 Functionele structuur

Het plangebied is gelegen in een woonzone tussen de Welterlaan en Nieuwe Eyckholt. Ten noorden en westen van de woonzone is het bedrijventerrein Coriopolis gelegen en zijn tevens enkele onderwijsinstellingen gevestigd (waaronder de Open Universiteit, scholencomplex Sintermeerten, Hogeschool Zuyd en het Arcus college). Ook is hier het sportpark van het voetbalclub SV Eikenderveld gelegen. Ten noordoosten van plangebied is een tennispark gelegen. De woonzone wordt in het oosten van de N281 afgeschermd door middel van een groene zone. Het betreft het Geleendal rondom de Geleenbeek. De zone doet tevens dienst als stadspark.

Het plangebied zelf betreft een L-vormig perceel dat thans in gebruik is als tuin. Het heeft een groene aanblik door de ter plaatse aanwezige beplanting. Een groot deel van de tuin blijft als zodanig in intact. De nieuwe woning zal aan de openbare weg worden gebouwd. Binnen de woning is de functie wonen de hoofdfunctie en worden daarnaast enkele onderschikte functies zoals aan-huis-verbonden beroepen toegestaan. De functies sluiten aan bij de functies die reeds in de omgeving bestemd zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0015.jpg" Satellietfoto omgeving plangebied (plangebied rood omlijnd)

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

Het planvoornemen heeft betrekking op het bouwen van een nieuwe vrijstaande woning. Het gedeelte van de Valkenburgerweg waar de woning is voorzien is een historische radiaalweg (lint) naar het centrum met de uitstraling van een villawijk. Het betreffende perceel vormt op dit moment een onderbreking in de bebouwingsstructuur. Het is namelijk een zeer breed (27 meter) onbebouwd perceel. In principe is het van oorsprong niet vreemd dat er grotere onbebouwde percelen binnen lintbebouwing aanwezig zijn, aangezien hier vroeger huisweides en dergelijke lagen. Dit gedeelte betreft echter geen boerderijachtige bebouwing, maar een villawijk bebouwing die zeer dicht bij het centrum is gelegen. Het bebouwen van deze open ruimte met een vrijstaande woning is derhalve een versterking van het stedenbouwkundige beeld van de straat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0016.jpg" Foto van het plangebied, genomen vanuit het noordoosten vanaf de Valkenburgerweg. De witte woning betreft Valkenburgerweg 143 (bron: maps.google.nl)

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.

5.1 Milieueffectrapportage

Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, kan een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden opgesteld. Er zijn drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan:

  • Er is een passende beoordeling nodig in het kader van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1988 (artikel 7.2a, lid 1 Wet milieubeheer);
  • Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage;
  • Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage.

Er dient beoordeeld te worden of sprake is van een van de bovengenoemde situaties. Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied waarvoor de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing is. Daarom wordt getoetst aan het Besluit m.e.r.

Ten aanzien van onderhavig planvoornemen is activiteit D.11.2 uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage aan de orde. Het betreft de activiteit: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarbij is aangegeven dat een m.e.r. verplicht is indien het stedelijk ontwikkelingsproject een aaneengesloten gebied betreft en 2000 of meer woningen omvat, of een oppervlakte van 100 hectare of meer heeft. In onderhavig geval is daar geen sprake van. Derhalve kan een m.e.r. achterwege blijven.

5.2 Akoestiek

De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogste toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

Het plangebied is gelegen aan de Valkenburgerweg. Dit is een tweebaansweg weg binnen stedelijk gebied met een snelheidsregime van 50 km/uur. Volgens de Wet geluidhinder geldt derhalve een zone van onderzoekszone van 200 meter aan beide zijden van de weg. Het plangebied ligt binnen die zone. Bovendien ligt het plangebied in de onderzoekszone van de wegen Welterhuisje, Pijnsweg en de Welterlaan (A79).

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een geluidsgevoelig object mogelijk binnen een geluidzone van een weg. Derhalve is akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van deze zoneringsplichtige wegen noodzakelijk. Het toetsjaar 2026 is daarbij van belang. Daarnaast is van belang dat er vanwege de krimp in de Parkstadregio geen sprake is van autonome groei op de gemeentelijke wegen.

Het onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. De voornaamste bevindingen en conclusies worden hieronder weergegeven.

In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van twee varianten. Bij de eerste variant wordt ervan uitgegaan dat de woning in de voorgevelrooilijn wordt opgericht. Bij de tweede variant wordt ervan uitgegaan dat de woning vijf meter achter de voorgevelrooilijn wordt opgericht. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de eerste variant, waardoor de tweede variant voor dit plan niet meer van toepassing is.

De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Valkenburgerweg bedraagt voor variant I ten hoogste 56 dB na aftrek van de correctie zoals bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder. Aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet voldaan. Echter de maximale ontheffingswaarde (63 dB) wordt ruimschoots gerespecteerd. De geluidbelasting ten gevolge van de Pijnsweg, Welterhuisje en de Welterlaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.

In het rapport wordt aangegeven dat bron- of overdrachtsmaatregelen niet afdoende zijn of stuiten op overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke of verkeerskundige aard. Het nemen van gevelmaatregelen, zoals het toepassen van dove gevels, is niet noodzakelijk. Dit omdat de maximale ontheffingswaarde ter plaatse van de woning wordt gerespecteerd, waardoor een toets aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder vervalt. Bij de realisatie van de woning dienen de gevels een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (GA;k) te hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft. Ook dienen de geluidsgevoelige ruimten zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijde te worden geprojecteerd. In het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning zal hieraan worden getoetst conform het Bouwbesluit 2012.

Op basis van het voorgaande zal de initiatiefnemer de gemeente verzoeken, conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder, een beschikking hogere waarde te verlenen voor de woning waar ten gevolge van het wegverkeer op de Valkenburgerweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden.

Railverkeer is verder niet relevant voor onderhavig plangebied. Industrielawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder is evenmin aan de orde.

5.3 Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.

5.3.1 Europees en Rijksbeleid

Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen.

Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.

Waterwet
De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.

Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.

Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.

Nationaal Waterplan 2009-2015
Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (1998) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. Tevens maken de (vier) stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Op deze wijze ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (KRW) en Rijksbeleid.

Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben hierin specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast kunnen gemeenten faciliterend optreden bij het nemen van bepaalde ruimtelijke maatregelen. Gemeenten en waterschappen informeren de provincies over voortgang van het uitvoeringsbeleid en knelpunten bij de uitvoering. Het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement van de gemeente Heerlen speelt daar een belangrijke rol in (zie paragraaf 5.3.2).

Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.


Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn:

  • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken;
  • verbetering van de waterkwaliteit.

5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. Samen met deze uitwerking vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 het provinciale waterhuishoudingsplan.

Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 gezamenlijk vastgesteld door Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Met een gezamenlijk waterplan lopen de beide waterschappen vooruit op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg.

Door middel van dit waterbeheerplan wordt aangegeven hoe het waterbeheer in Limburg er in de nabije toekomst uit zal zien. Zo wordt in het plan aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Via de Watertoets wordt gestimuleerd om het afkoppelen van regenwater onderdeel te maken van duurzaam waterbeheer in ruimtelijke plannen. De tritsen 'vasthouden-bergen-afvoeren' en 'schoonhouden-scheiden-schoonmaken' vormen het uitgangspunt in het duurzaam waterbeheer. Ook klimaatverandering krijgt in het waterbeheerplan aandacht. Zo worden meer heftige buien en hitte verwacht en is er daarnaast minder acceptatie van wateroverlast door grondgebruikers, inwoners en bedrijven.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020
Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Heerlen is daar het gevolg van en heeft een looptijd van 2016 tot en met 2020. Het vGRP is de opvolger van het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015.

Het vGRP heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode. Hoofddoelstelling van het vGRP is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemelwater en overtollig grondwater. Het vGRP geeft inzicht in de mate waarin de doelen uit het BSW 2011-2015 zijn behaald.

5.3.3 Plangebied

In de Keur van Waterschap Roer en Overmaas zijn regels opgenomen met betrekking tot het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Ook kent de Keur gebods- en verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. In artikel 4.2 van de Keur is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het bestuur in stedelijk gebied meer dan 1.000 m² verhard oppervlak aan te brengen.

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning met een oppervlakte van maximaal 300 m². Voorts zal ook een deel van terrein worden verhard ten behoeve van parkeren en toegang van het perceel en de aanwezige gebouwen. Het zal hier echter gaan om minder dan 700 m². Daarmee wordt de grens van 1.000 m² toevoeging aan verhard oppervlak niet gehaald. Een uitgebreide watertoets of vergunning is dan ook niet benodigd.

De gemeente Heerlen heeft wel aangegeven dat het regenwater op het perceel geïnfiltreerd dient te worden. De infiltratievoorziening dient een inhoud te hebben van 3,5 m³ per 100 m² verhard oppervlak. Onderhavig plan voorziet niet in een concreet bouwplan. Wanneer duidelijk is wat de footprint van de woning zal worden, kan ook de benodigde infiltratievoorziening berekend worden. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal dit nader worden uitgewerkt.

De nieuwe woning zal worden voorzien van een gescheiden riool, waarbij het afvalwater afgezonderd van het hemelwater wordt afgevoerd. Het riool wordt aangesloten op het bestaand rioolstelsel ter plaatse van de Valkenburgerweg.

5.4 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie.

5.4.1 Beleidskader

Besluit Bodemkwaliteit
Op 5 juli 2011 is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen vastgesteld. Hierin staan de kwaliteitseisen waaraan bouwstoffen, grond en baggerspecie voor het toepassen en hergebruiken moeten voldoen. De Nota bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart beschrijven op welke wijze de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Besluit bodemkwaliteit zoals dat met ingang van 1 juli 2008 van kracht geworden is. Het Besluit zet een kwalitatieve stap in de richting van duurzaam bodembeheer. Het Besluit komt ook tegemoet aan de wens om maatwerk op gebiedsniveau beter mogelijk te maken. Heerlen heeft gekozen voor een zogenaamd gebiedsspecifiek beleid. Op basis van dit beleid zijn Lokale maximale waarden opgesteld. De gemiddelde kwaliteit van de bodem is ingedeeld in drie algemene categorieën te weten: industrie, wonen en achtergrondwaarde. Voor gebieden waar lokale maximale waarden zijn opgesteld gelden de benamingen uit de algemene categorieën niet meer. En het Besluit geeft de mogelijkheid om gericht toezicht te houden op de hele keten van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

Bodembeleidsplan
Voor de gemeente Heerlen is sinds 1 januari 2011 het Bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering.

5.4.2 Plangebied

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning ter plaatse van een perceel dat thans als tuin bestemd is.

Voor de locatie is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd:
Standaard vooronderzoek en onderzoeksvoorstel verkennend bodemonderzoek voor de locatie Valkenburgerweg naast nr. 139 te Heerlen, datum 16 november 2015, nummer HL091700065.

Op basis van dit vooronderzoek zijn twee hypotheses gesteld:

  • 1. de locatie is verdacht voor het voorkomen van asbest in de bodem;
  • 2. de locatie is verder onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging.

Op basis van het verrichte bodemonderzoek bestaat - voor wat bodemaspecten betreft - geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Dit neemt niet weg dat voorafgaand aan de voorgenomen bebouwing van de locatie in het kader van de omgevingswet middels een uitgevoerd verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 aangetoond zal moeten worden dat de bodemkwaliteit geschikt is om te bebouwen.

5.5 Natuurwaarden

5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet 1998

De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.

In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Natuurbeschermingswet. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

5.5.2 Soortenbescherming: Flora- en faunawet

Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Flora- en Faunawet. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende danwel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij het Ministerie van EL&I ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet moet worden aangevraagd.

5.5.3 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG)

De EHS en de POG vormen samen de ecologische structuur van Limburg. De EHS is het strengste beschermingsregime. Hier geldt het 'nee, tenzij-principe'. Dat betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen niet zijn toegestaan, tenzij geen alternatieve locatie voorhanden is of sprake is van groot maatschappelijk belang. Hierover dient nauw overleg plaats te vinden met de provincie Limburg. Binnen de POG geldt het beschermingsregime 'ja, mits', wat betekent dat ruimtelijke ingrepen zijn toegestaan mits in afdoende mate mitigatie en/of compensatie van natuurwaarden plaatsvindt. Ook hierover dienen afspraken te worden gemaakt met de provincie.

5.5.4 Conclusie

Onderhavig plan maakt de realisatie van een vrijstaande woning mogelijk ter plaatse van het plangebied. Bij de realisatie van de woning zal beplanting worden verwijderd en grond worden afgegraven en geëgaliseerd. Deze activiteiten kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten. De Flora- en faunawet (bijlage 1) kan hierdoor worden overtreden. Door middel van een quickscan flora en fauna is onderzocht en beoordeeld of de Flora- en faunawet door de geplande activiteiten wordt overtreden en op welke wijze in het kader van de Flora- en faunawet dient te worden gehandeld. De resultaten van de quickscan zijn opgenomen in een rapport dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Hierna volgen de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit het rapport.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0017.jpg"

Soortenbescherming
In bovenstaande tabel is per soortgroep aangegeven of het planvoornemen schadelijke effecten met zich meebrengt ten aanzien van de betreffende soortgroep en of aanvullend onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is. Ten aanzien van een aantal soorten zijn mogelijk schadelijke effecten te verwachten.

Voor de soorten die voorkomen in tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt dat deze zijn vrijgesteld van een ontheffing. Ook voor tabel 2 beschermde dier- en plantsoorten en niet jaarrond beschermde vogelnesten kent de Flora- en faunawet vrijstellingen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voorwaarde is dan wel dat de richtlijnen worden gevolgd uit een goedgekeurde gedragscode. Hierin staat op welke manier schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt blijft bij het uitvoeren van werkzaamheden. Om invulling te geven aan een gedragscode dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op beschermde soorten te voorkomen en hoe te handelen wanneer ze onverhoopt toch optreden.

Gelet op het voorgaande is in het kader van dit bestemmingsplan geen nader onderzoek naar flora en fauna noodzakelijk. Bij de daadwerkelijke realisatie van de woning dient een goedgekeurde gedragscode in acht te worden genomen, bijvoorbeeld de 'Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting gemeenten' van Vereniging Stadswerk Nederland. Om invulling aan deze gedragscode te geven dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld.

Daarnaast geldt de algemene zorgplicht uit de Flora- en faunawet. Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat eenieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Dat betekent voornamelijk dat de werkzaamheden plaats dienen te vinden buiten kwetsbare perioden van de verschillende soortengroepen. Daarnaast is het belangrijk dat het plangebied tijdig onaantrekkelijk wordt gemaakt als leefgebied voor de betreffende soorten. Zeker wanneer de werkzaamheden toch zullen plaatsvinden in een kwetsbare periode, is het zaak dat voorafgaand aan die periode het plangebied reeds onaantrekkelijk is gemaakt om als leefgebied voor de betreffende soorten te dienen. Als tijdens het verwijderen van vegetatie en het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, dienen dusdanige maatregelen te worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt.

Gebiedsbescherming
Naast soortgroepen zijn ook beschermde natuurgebieden onderzocht en beoordeeld. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het planvoornemen, gezien de aard en omvang ervan alsmede de afstand tot de beschermde natuurgebieden, geen verstorend effect zal hebben op deze beschermde natuurgebieden. Er is dan ook geen aanvullend onderzoek noodzakelijk en er geldt geen vergunningsplicht.

Conclusie
Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft ten aanzien van beschermde flora en fauna binnen het plangebied en de nabije omgeving. Voorwaarde is wel dat zorgvuldig wordt gewerkt volgens een erkende gedragscode. Bij de daadwerkelijke realisatie van de woning dient deze gedragscode in acht te worden genomen en dient een werkprotocol te worden opgesteld.

5.6 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarmee samen hangen de volgende besluiten en regelingen:

  • Besluit gevoelige bestemmingen
  • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM)
  • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM)

Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

5.6.1 Besluit gevoelige bestemmingen

Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.

Het plan voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning. Dit is geen 'gevoelige bestemming' in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het besluit is dan ook niet van toepassing op onderhavig plan.

5.6.2 Niet in betekenende mate (NIBM)

In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door het bevoegd gezag (gemeente).

In de Regeling NIBM is aangegeven dat geen onderzoek nodig is voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Voor onderhavig planvoornemen is dan ook geen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het project zal niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling.

5.6.3 NSL-tool

Met behulp van de NSL-tool is berekend wat de huidige luchtkwaliteit (NO2, PM10 en PM2,5) ter plaatse van het plangebied is. Daarbij is gekeken naar de rekenpunten die zijn gelegen langs de A76, Welterlaan / A79 en de N281. Voor NO2, PM10 en PM2,5 geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m³ en de daggemiddelden voor PM10 mogen jaarlijks maximaal 35 dagen worden overschreden.

Op basis van de NSL-tool is te zien dat de rekenpunten voor NO2, PM10 en PM2,5 overal lager zijn dan 35 µg/m³. De daggemiddelden voor PM10 worden jaarlijks met minder dan 35 dagen overschreden. Dit geldt ook voor de doorberekende resultaten voor 2020 en 2030. Een toevoeging van één woning zal niet voor een dermate toename van de verkeerintensiteit ter plaatse zorgen, dat hiermee de luchtkwaliteit in betekenende mate zal verslechteren.

5.6.4 Conclusie

Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden. Op basis van artikel 5.16, lid 1, sub a Wm kan worden gesteld dat het voorliggende bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Landelijk beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet.

Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.

Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels.

De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.

5.7.2 Gemeentelijk beleidskader

In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.

Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.

5.7.3 Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) en het geldende bestemmingsplan zijn de externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de nabije omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0018.jpg" Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

5.7.4 Conclusie

In en nabij het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd en/of activiteiten bekend die, gezien de aard en omvang en de ligging ten opzichte van het plangebied, een onacceptabel extern veiligheidsrisico opleveren. Dit geldt zowel voor het plaatsgebonden risico als voor het groepsrisico. Ook zijn direct nabij het plangebied geen wegen voor het transport van gevaarlijke stoffen aangewezen. De voorgenomen activiteit levert zelf ook geen veiligheidsrisico op voor de omgeving.

Bij de totstandkoming van bestemmingsplan Valkenburgerweg 141 is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.

5.8 Technische infrastructuur

Binnen het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten zuidoosten van het plangebied is een straalpad gelegen met een beschermingszone van 127 meter.

De beschermingszone valt niet over het plangebied. Dit aspect levert dan ook geen belemmering op voor onderhavig project.

5.9 Bedrijfshinder

Het is van groot belang dat ter plaatse van de nieuwe woning een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. Onderzocht is of het planvoornemen met het oog op milieu-invloeden op haar omgeving kan worden ingepast.

Ten noorden van het plangebied, op ongeveer 250 meter afstand, is bedrijventerrein Coriopolis gelegen. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan voor dit bedrijventerrein stond het goede woon- en leefklimaat van het aangrenzende woongebied centraal. Daarom is ervoor gekozen om de bedrijfsactiviteiten te beperken tot milieucategorie 2. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en zonering' (2009) geldt ten aanzien van die categorie een richtafstand van 30 meter, in geval van functiescheiding tussen de woonwijk en het bedrijventerrein. In onderhavig geval is sprake van functiescheiding, waardoor de richtafstand van 30 meter moet worden aangehouden.

Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe woning een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. De nieuwe woning zal nabijgelegen bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering.

5.10 Archeologie

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m², maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

5.10.1 Gemeentelijk beleid

Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013.

Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.

In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.

Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten
Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist.

Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen
Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m² genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep.

Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde
Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m² en 2500 m² oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.

Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde
In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m² en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.

Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde
In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

5.10.2 Plangebied

Het gebied is op de archeologische beleidskaart gelegen in een gebied waarvoor een zeer hoge archeologische waarde geldt (Romeinse centrum van Heerlen). Op de cultuurhistorische waardenkaart van Limburg (zie volgende paragraaf) is bovendien aangegeven dat in het noordelijke deel van het plangebied een oude Romeinse weg gelegen zou moeten hebben. Het betreft Via Belgica, een Romeinse weg van Boulogne-sur-Mer naar Keulen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0019.jpg" Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied blauw omlijnd)

Vanwege de hoge archeologische waarde en de ligging van de Via Belgica wordt een archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Daarom is een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De voornaamste resultaten uit dit onderzoek worden hierna besproken.

Op basis van het bureauonderzoek werden archeologische resten verwacht. Het gaat om resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd en in het bijzonder uit de Romeinse tijd. Deze verwachting komt met name voort uit de mogelijke aanwezigheid van de Via Belgica in het noordelijke deel van het plangebied. Via Belgica is een weg die in de Romeinse tijd Boulogne-sur-Mer met Keulen verbond.

Om deze verwachting te toetsen en waar nodig aan te vullen, is in het plangebied een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bestond uit een verkennend en karterend booronderzoek. Op basis van de boringen bleek de bodem deels intact en deels verstoord te zijn. Uit de karterende boringen in het noordwestelijke deel van het plangebied blijkt er sprake te zijn van een grindhoudend pakket dat mogelijk verband houdt met de verwachte Romeinse weg. Vanwege de aanwezigheid van recente puinresten in het grindhoudende pakket moet echter rekening gehouden worden met verstoringen in het archeologische niveau.

Op de plaats waar resten van de Romeinse weg worden verwacht en waar tevens het bouwvlak is gesitueerd, wordt inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) noodzakelijk geacht. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten.

Vanwege het feit dat er geen concreet bouwplan aan dit bestemmingsplan ten grondslag ligt, is in het kader van dit bestemmingsplan geen inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Om ervoor te zorgen dat een dergelijk onderzoek in de toekomst wordt uitgevoerd voorafgaand aan de bouw van de woning, heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gekregen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan deze dubbelbestemming voorschriften verbonden. Een van deze voorschriften is de voorwaardelijke verplichting tot het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek, voorafgaand aan de bouw van de woning. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Na afloop van het proefsleuvenonderzoek, zullen de resultaten van het onderzoek voorgelegd worden aan het college van burgemeester en wethouders. Het college zal vervolgens beslissen of vervolgonderzoek nodig is of dat het plangebied (deels) kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Dit gebeurt middels een selectiebesluit.

Algemene zorgplicht
Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

5.11 Cultuurhistorie

Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Aan de hand van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP030400W000002-0401_0020.jpg" Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg is te zien dat het plangebied niet gelegen is binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook zijn er binnen het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Aan de Valkenburgerweg zijn wel enkele monumenten aanwezig, zoals het Geleenhof (Valkenburgerweg 54), Villa Eikhold (Valkenburgereweg 72) en een voormalig koetshuis en de dienstwoning (Valkenburgerweg 70). Deze monumenten liggen op 150 meter of verder van het plangebied. Tegenover het plangebied zijn enkele gebouwen aanwezig die zijn opgenomen in de Monumenten Inventarisatie Project (MIP) Objecten database. Het betreft onder andere de woningen aan de Valkenburgerweg 84 en 88 / 90.

In de MIP-database van het Rijk zijn cultuurhistorisch waardevolle gebieden en gebouwen opgenomen, om zodoende een landelijk overzicht te verkrijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940.

Onderhavig planvoornemen zal de in de omgeving aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken en objecten niet belemmeren. De te realiseren woning zal in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht in de omgeving moeten passen. Daarom zal het concrete bouwplan ten tijde van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen getoetst worden aan het welstandsbeleid van de Heerlen.

De Valkenburgerweg is op de Cultuurhistorische waardenkaart aangemerkt als een Romeinse weg. Het betreft de zogenaamde Via Belgica. Het plangebied ligt binnen de grenzen van Via Belgica. Dat betekent dat de Romeinse weg mogelijk door het plangebied liep. Mogelijk bevinden zich nog sporen van deze weg in de bodem. Archeologisch onderzoek moet hierover duidelijkheid scheppen. In de voorgaande paragraaf is nader ingegaan op dit archeologisch onderzoek en zijn ook de resultaten van het onderzoek besproken.

Het planvoornemen vormt gezien de aard en omvang geen belemmering voor in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen. Bij het definitieve ontwerp van de te realiseren woning dienen de in de omgeving aanwezige cultuurhistorisch waardevolle elementen wel gerespecteerd te worden. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning wordt het plan dan ook getoetst aan het ter plaatse geldende welstandsbeleid.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan Valkenburgerweg 141.

6.1 Inleiding

Bestemmingsplan Valkenburgerweg 141 bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen.

De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.

6.2 Opbouw van de regels

De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.

6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden.

Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten.

Bouwregels
In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken van de bouwregels
Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend.

Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels
Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden
Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.

6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld. Ook is de aanvullende werking van de bouwverordening aangegeven.

Algemene gebruiksregels
In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan.

Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming.

Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan. Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.

Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.

Overige regels
Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd

6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsbepalingen
In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.

6.3 Toelichting van de bestemmingsregels

Deze paragraaf beschrijft hoe de verschillende bestemmingen in het plangebied zijn toegekend.

6.3.1 Wonen

Aan het perceel is de bestemming Wonen toegekend. De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor woondoeleinden en tuin.

De gemeente Heerlen hecht er belang aan dat inwoners van de gemeente zoveel mogelijk dezelfde rechten krijgen. Om die reden hanteert de gemeente een standaard-woonbestemming. In dit bestemmingsplan is de standaard-woonbestemming als uitgangspunt genomen en verder afgestemd op de specifieke situatie.

In dit plan wordt conform de standaard-woonbestemming uitgegaan van een bouwvlak per woning, waarbij met een bouwaanduiding het woningtype wordt bepaald. De bouwmogelijkheden hangen af van het woningtype. Met een bouwaanduiding is aangegeven dat binnen het plangebied alleen een vrijstaande woning is toegestaan. Voor een vrijstaande woning wordt conform de standaard-woonbestemming een standaard bouwdiepte voor de hoofdmassa gehanteerd: 15 meter. Voorwaarde hierbij is dat de afstand tussen achtergevel en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt. Op basis van deze afmetingen is het bouwvlak op de verbeelding vormgegeven.

Ondanks de ruime directe bouwmogelijkheden kunnen bewoners behoefte hebben aan uitbreiding over twee lagen aan de zijkant van hun woning óf hun woning willen slopen en op een andere plek op het perceel herbouwen. Voor deze twee gevallen zijn in de regels conform de standaard-woonbestemming afwijkingsbevoegdheden opgenomen, zodat (indien voldaan wordt aan de bijbehorende voorwaarden) via een versnelde procedure een omgevingsvergunning kan worden verkregen.

Verder zijn in de standaard-woonbestemmingen twee standaardbepalingen opgenomen ten aanzien van de bouwhoogte. Enerzijds geldt een standaard maximale goot- en bouwhoogte van 7 meter respectievelijk 12 meter. Dit is gebaseerd op een woning van twee lagen met kap. Anderzijds geldt een standaardbepaling waarbij de maximale bouwhoogte 10 meter bedraagt en geen goothoogte is opgenomen. Met deze (laatste) bepaling wordt in dit plangebied aangesloten bij de omliggende bebouwing aan de Valkenburgerweg, waar eveneens geen maximale goothoogte is opgenomen en daardoor een diversiteit aan goothoogten waarneembaar is. Het is echter in dit plangebied ook goed denkbaar dat een vrijstaande woning wordt gerealiseerd waarbij de bouwhoogte maximaal 12 meter bedraagt en een goothoogte geldt van maximaal 7 meter. Het mogelijk maken van beide standaardbepalingen ten aanzien van de maatvoering geeft de initiatiefnemer meer vrijheid in het ontwerp van de woning.

6.3.2 Waarde - Archeologie 2

Dit artikel geeft bescherming aan potentieel archeologisch waardevolle gebieden dan wel aan gebieden waarvan de archeologische waarde als is vastgesteld. In dit geval geldt op basis van archeologisch vooronderzoek een hoge verwachting als het gaat om de Via Belgica. Op basis van dit vooronderzoek wordt inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) noodzakelijk geacht. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' bevat een vergunningsplicht voor het bebouwen van het perceel. Daarbij is bepaald dat voorafgaand aan het bebouwen van het perceel, in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, het betreffende archeologische vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden.

6.4 Bijzondere regelingen

6.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving

Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroeps-of bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld:

  • a. de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt);
  • b. de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten.

Aan huis gebonden beroepen
Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist.

Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming Wonen dan ook rechtstreeks toegestaan.

Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten
Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.

Tot consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten worden onder meer de volgende activiteiten/beroepen gerekend: fotograaf/videograaf, autorijschool (geen theorielessen aan huis), bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker, lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (o.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialist, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst (zonder afhalen aan huis), prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen (smartphones, radio's, tv's, horloges, antiek, etc.), glazenwasser, webshop (administratie, opslag, logistiek, zonder afhalen aan huis).

In de bestemming Wonen van dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarmee de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die ook in de beleidsregel zijn opgenomen, kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.4.2 Prostitutie- en seksinrichtingen

Door het verdwijnen van het algemeen bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht kan de vestiging van een bordeel niet meer verboden worden. Het is derhalve noodzakelijk om middels beleid en een adequate planologische regeling de vestiging van prostitutiebedrijven te reguleren. De planologische regeling heeft betrekking op de bestemmingen die - volgens de jurisprudentie - het gebruik ten behoeve van prostitutie niet geheel uitsluiten. Gedoeld wordt op de bestemmingen die wonen, horeca, dienstverlening en bedrijven toelaten.

De gemeenten in Parkstad Limburg hebben een gezamenlijk regionale visie met betrekking tot het prostitutiebeleid ontwikkeld. Het opstellen van de "Parkstadnota regionale visie prostitutiebeleid" werd noodzakelijk geacht omdat een zeer stringent lokaal beleid kan leiden tot verplaatsing van de in de gemeenten aanwezige prostitutiebedrijven naar omringende gemeenten, die een minder stringent beleid voeren. Door regionaal beleid wordt voorkomen dat ongewenste bewegingen ontstaan in de vestiging van prostitutiebedrijven en kunnen gemeenten beargumenteerd bepaalde vormen van prostitutiebedrijven uitsluiten.

In de "Beleidsnota Seksinrichtingen, sekswinkels en escortbedrijven Heerlen" (oktober 2000) is het gemeentelijk beleid neergelegd. In deze nota is ruimtelijk beleid geïntegreerd in het totale beleid. Eén van de zes hoofddoelstellingen die ten grondslag lagen bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod was: de beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie.

In de huidige situatie liggen er 9 locaties voor seksinrichtingen verspreid over het gemeentelijk grondgebied. Voor deze locaties is een parapluplan opgesteld, bestemmingsplan prostitutie (onherroepelijk per 24 april 2007). Onderhavig plangebied bevat geen seksinrichtingen, sekswinkels of escortbedrijven.

Hoofdstuk 7 Handhaving en uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan heeft verscheidene functies. De belangrijkste functie betreft wellicht de normerende functie.

Het bestemmingsplan geeft bindende regels voor het gebruik van de in het betreffende plan opgenomen gronden. Dit betreft gebruik in ruime zin. Niet enkel het feitelijke gebruik, maar ook de bebouwing van deze gronden en het gebruik van opstallen worden door het bestemmingsplan gereguleerd. Om recht te doen aan deze functie, is tijdens het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan ruime aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de opgestelde regels.

Er is sprake van een inzichtelijke en realistische juridische regeling. Dat wil zeggen, dat het plan niet onnodig beperkend of inflexibel is. De regels dienen niet meer, maar ook niet minder te regelen dan noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ondubbelzinnige en juridisch juiste regeling, die voor eenieder duidelijk is en weinig procesrisico kent.

7.1 Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen een expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota "Handhaving bouw- en ruimtelijke regelgeving". In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma's vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats.

Bij het overtreden van de regels van het bestemmingsplan kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: bestuursrechtelijk handhaven (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) of strafrechtelijk handhaven (economisch delict).

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld.


Aan het bestemmingsplan zijn voor de gemeente uit het oogpunt van exploitatie geen nadelige financiële gevolgen verbonden, aangezien het hier een geheel particuliere aangelegenheid betreft. De verzoeker heeft schriftelijk verklaard de leges te betalen die aan deze bestemmingsplanprocedure verbonden zijn. Tevens heeft de verzoeker met de gemeente op grond van de Wet ruimtelijke ordening een anterieure overeenkomst gesloten.

Hoofdstuk 8 Procedure en overleg

8.1 Procedurestappen

Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:

8.1.1 Voorontwerp

Het voorontwerp bestemmingsplan wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan omwonenden en belanghebbenden. Dezen kunnen een inspraakreactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Tevens wordt het voorontwerpbestemmingsplan in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd.

8.1.2 Ontwerp

De ingediende inspraakreacties worden verwerkt, wat eventueel kan leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

8.1.3 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

8.1.4 Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2 Inspraak en overleg

Initiatiefnemer heeft in het kader van samenspraak de buurtbewoners aangeschreven om zijn initiatief kenbaar te maken. De brief is 21 juli 2015 verstuurd en initiatiefnemer heeft daarin verzocht om eventuele reacties voor 22 augustus 2015 per e-mail in te dienen. Er zijn geen reacties binnengekomen.

Het voorontwerpbestemmingsplan Valkenburgerweg 141 is in het kader van vooroverleg naar diverse instanties gestuurd. Daarnaast heeft het plan zes weken ter inzage gelegen in het kader van de inspraak en het vooroverleg.

Het verslag van het vooroverleg is toegevoegd als een separate bijlage.

8.3 Zienswijzen

Het bestemmingsplan heeft vanaf 14 september 2016 tot en met 25 oktober 2016 als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen op het plan ingediend. Ook is er geen aanleiding geweest voor het doorvoeren van ambtelijke wijzigingen. Het plan is dan ook ongewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Heerlen.