NL.IMRO.1876.BP01066-VG01 bestemmingsplan Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo gemeentelijke overheid 1876 2016-10-10 PRPT2012
Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Planonderdelen     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. In dat proces worden de voorontwerpen van individuele particuliere initiatieven en gemeentelijke plannen in een halfjaarlijkse cyclus samengevoegd tot één (ontwerp)bestemmingsplan Stedelijk gebied (bebouwde kom) en één bestemmingsplan Landelijk gebied (buitengebied). Deze zogeheten 'veegplannen' worden als ontwerp in procedure gebracht. Voorafgaan heeft per individueel planonderdeel overleg en inspraak plaatsgevonden.

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 1.1 Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 1.1.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 1.1.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 1.1.3).

1.1 Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo     

1.1.1 Inleiding     

1.1.1.1 Aanleiding     

Landgoed Zelle B.V., gevestigd Ruurloseweg 92a te Hengelo, heeft het gemeentebestuur medewerking gevraagd voor haar initiatief. Het initiatief omvat het verplaatsen van woningen en recreatiewoningen in en bij het landgoed Zelle in het buitengebied van Hengelo en een klein gedeelte in het buitengebied van Vorden. Het aantal woningen neemt door de uitvoering van het bestemmingsplan niet toe. Het aantal recreatiewoningen neemt af met 3.

1.1.1.2 Plangebied     

Het plangebied is globaal gelegen ten noordoosten van het dorp Hengelo. Het plangebied bestaat uit 6 locaties waar de functieveranderingen zullen worden uitgevoerd. Op onderstaande luchtfoto zijn de 6 locaties met een blauwgekleurde cirkel en cijfer aangegeven.

verplicht

afb. ligging 6 locaties

1.1.1.3 Vigerende planologische situatie     

De betreffende percelen zijn gelegen binnen de begrenzingen van:

  • het bestemmingsplan 'Buitengebied 2005; Hengelo/Vorden';
  • bestemmingsplan 'Buitengebied Hengelo/Vorden 2005/2008, correctieve herziening;
  • het parapluplan 'Archeologie'.

De gronden zijn bestemd voor 'Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden' (nr. 1) en 'Agrarisch gebied met hoge natuur- en landschapswaarden' (locaties nr. 2 t /m 6). Zie onderstaande afbeelding met de globale ligging van de betreffende percelen.

Het perceel met nummer 2 betreft een agrarisch bouwperceel met 2 toegelaten bedrijfswoningen. De percelen met de nummers 1, 3, 4 en 6 zijn aangeduid voor 'recreatiewoning. Op het perceel met nummer 5 (Varsselseweg 45) zijn 2 woningen toegestaan.

Voor de gronden met de nummers 1, 3, 4 en 6 geldt de 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. De resterende nummers 2 en 5 zijn aangeduid voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

Drie deellocaties (2, 3 en 4) liggen binnen de aanduiding 'historische buitenplaatsen'.

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' beogen het bodemarchief te beschermen. Ingrepen met een kleinere oppervlakte dan 250 m2 en niet dieper dan 0,4 meter kunnen binnen de stemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' zonder onderzoek uitgevoerd worden. Voor de gronden met de 'Waarde - Archeologische verwachting 2' geldt dat ingrepen met een kleinere oppervlakte dan 1.000 m2 en niet dieper dan 0,4 meter ook uitgevoerd kunnen worden zonder onderzoek.

verplicht

afb. uitsnede verbeelding 'bestemmingsplan 'Buitengebied 2005; Hengelo/Vorden' met ligging 6 deelgebieden

1.1.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 1 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 1.1 Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 1.1.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 1.1.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 1.1.3).

Paragraaf 1.1.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 1.1.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 1.1.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 1.1.1.4).

Paragraaf 1.1.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 1.1.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 1.1.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 1.1.2.3).

Paragraaf 1.1.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 1.1.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 1.1.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 1.1.3.3), economische aspecten (paragraaf 1.1.3.4) en overleg en inspraak (paragraaf 1.1.3.5). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (1.1.3.6) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 2.1), provinciaal beleid (paragraaf 2.2), regionaal beleid (paragraaf 2.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 2.4).

Hoofdstuk 3 Juridische aspecten

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 3.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 3.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 3.3).

Bijlagen bij de toelichting

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting opgenomen.

1.1.2 Initiatief     

1.1.2.1 Bestaande situatie     
1.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

De gronden van het landgoed Zelle maken deel uit van het landgoederenlandschap. Dit landschap wordt gevormd door dat deel van het oorspronkelijke essen- en kampenlandschap dat in de afgelopen eeuwen gecultiveerd is door landgoedeigenaren. Het gebied kenmerkt zich door een grote afwisseling van bossen, lanen, waterpartijen en landbouwgronden waarbij het landhuis en de directe omgeving, bestaande uit tuinen, voormalige koetshuizen en karakteristieke boerderijen voor de nodige architectonische accenten zorgen. De meeste landgoederen vallen onder de Natuurschoonwet en de meeste buitenplaatsen onder de Monumentenwet 1928.

1.1.2.1.2 Hydrologie     

In dit deel van de landgoederenzone ligt relatief veel voedselrijk bos. Ook vindt men hier veel natte bossen, moerassen en vochtige graslanden. De natte bossen, die rijk zijn aan soorten en een hoge natuurwaarde hebben, staan direct onder invloed van het grondwater dat hier als schoon kwelwater naar boven komt. Vaak hebben zij de vorm van een rabatbos. De moerassen zijn klein en liggen in de beekdalen. Hier zijn ook vochtige en natte graslanden te vinden die ten dele in de winter worden overstroomd. Voor amfibieën en reptielen levert deze zone waardevolle biotopen op, hetzelfde geldt voor broedvogels en tal van zoogdieren.

1.1.2.1.3 Landschaps- en natuurwaarden     

Het landschap van het landgoed Zelle is kleinschalig en kent een besloten karakter. Besloten boscomplexen van overwegend loofhout worden afgewisseld met open gebieden met bouw- en graslanden. Deze bouw- en graslanden worden elk omgeven met opgaand loofhout. Meer naar het zuiden was sprake van een grootschalig en open landschap van uitgestrekte heidevelden. Er was in het landschap een duidelijk tweedeling waar te nemen. Het besloten kleinschalige landgoederenlandschap in het noorden en het open grootschalige landschap van heidevelden in het zuiden.

De heide is ontgonnen en heeft plaatsgemaakt voor boerderijen, bouwland en grasland. Perceelsbeplanting is deels verdwenen. Dit heeft voornamelijk te maken met het optimaliseren van de grond ten dienste van de landbouw en met name de veeteelt. Boscomplexen zijn nog wel te vinden op landgoed Zelle. Het plangebied kent een wisselend grondgebruik van weiland en grasland.

1.1.2.1.4 Archeologie en cultuurhistorie     

Het landgoed Zelle valt onder de Natuurschoonwet en als buitenplaats onder de Monumentenwet 1928. Het landhuis, gebouwd in 1792 is van algemeen architectuur- en cultuurhistorisch belang vanwege de ouderdom, het een voorbeeld betreft van een eind 18de-eeuwse edelmanwoning, de gaafheid van ex- en interieur, de nagenoeg oorspronkelijke plattegrond en indeling, de kenmerkende ligging aan het eind van het oorspronkelijke 18de-eeuwse lanenpatroon en de ensemblewaarde als bepalend onderdeel van de historische buitenplaats.

In december 2009 is het Masterplan Landgoed Zelle 2010-2020 opgesteld in het kader van het gemeentelijke beleid voor landgoederen. In het Masterplan geeft de eigenaar van het landgoed Zelle een overzicht van plannen die hij heeft voor de periode tot 2010-2020 heeft gemaakt voor de ruimtelijke ontwikkeling van het landgoed. Hij beschrijft daarin hoe deze plannen op zodanige wijze worden uitgevoerd en vormgegeven dat de bestaande landschappelijke kwaliteit, de ecologische rijkdom en de cultuurhistorische waarde van het landgoed en zijn bebouwing behouden kan worden.

Het Masterplan 2010 – 2020 is in uitvoering. De grote renovatie betreft het terrein en de gebouwen binnen de gracht, inclusief de realisatie van de nieuwe infrastructuur, de aanleg van parkeerplaatsen en de aanplant van een boomgaard met een bloemrijk grasland en enkele solitaire bomen. De realisatie van de infrastructuur, de aanleg van parkeerplaatsen en de aanplant van een boomgaard en enkele solitaire bomen is inmiddels gebeurd.

1.1.2.2 Randvoorwaarden     
1.1.2.2.1 Beeldkwaliteitseisen     

De nieuwbouwplannen worden getoetst aan redelijke eisen van welstand. Nadere beeldkwaliteitseisen zijn niet gesteld.

1.1.2.2.2 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het verschuiven van een aantal functies binnen bestaande percelen zonder dat dit leidt tot aantasting van de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten. Op het perceel aan de noordkant van de Wassinkweg (tussen de Ruurloseweg en de Beunksteeg) was in het geldende bestemmingsplan de mogelijkheid opgenomen om twee recreatiewoningen van elk 300 m3 te bouwen. De omliggende grond is enkele jaren geleden al omgezet van landbouwgrond naar natuurterrein. Vanwege de ligging van dit perceel in het Gelders Natuurnetwerk is nieuwbouw op dit perceel niet wenselijk meer.

1.1.2.3 Planbeschrijving     

Inleiding

Landgoed Zelle werkt aan een gezonde toekomst. Het Masterplan 2010 – 2020 Landgoed Zelle is daarbij de leidraad. Het masterplan is in december 2009 opgesteld in het kader van het gemeentelijke beleid voor landgoederen. In het masterplan omvat een overzicht van ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode tot 2010-2020 en geeft een beschrijving over de wijze van uitvoering en vormgeving zodat de bestaande landschappelijke kwaliteit, de ecologische rijkdom en de cultuurhistorische waarde van het landgoed en zijn bebouwing behouden en versterkt kan worden.

Dit masterplan is destijds met de gemeente besproken en aangeboden aan het college van Burgemeester en wethouders. Het college heeft deels ingestemd met de plannen en deels instemming onthouden. De wens om een woonbestemming te krijgen op zeven vakantiehuizen (die meer dan een eeuw bewoond zijn geweest en pas relatief kort als vakantiehuis in gebruik zijn) is vanwege de krimpproblematiek in de regio niet gehonoreerd. Recent overleg heeft duidelijk gemaakt dat het uitruilen/verplaatsen van bestaande woonbestemmingen naar vakantiehuizen tot de mogelijkheden behoort.

Er is veel geïnvesteerd in de verbetering van de ruimtelijke-, ecologische- en cultuurhistorische kwaliteit die in het plan beschreven is en middels projecten uitgevoerd zijn/worden. De verbouwing van het koetshuis is gestart, het historische lanenstelsel is hersteld en daar waar het verdwenen was gereconstrueerd, de 18e eeuwse zwemvijver gerestaureerd, het waterdoolhof uitgebaggerd, natuurterrein ontwikkeld, e.d. Het masterplan benoemde ook de economische dragers die voor die investeringen noodzakelijk zijn en de nu voorliggende herbestemmingen van de vakantiehuizen zijn in dat kader van groot belang.

De herinrichting van het terrein binnen de gracht, de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen en een verbetering van de ontsluiting vanaf de Zelledijk zijn al vooruitlopend op deze ontwikkeling gerealiseerd Inmiddels is een wijzigingsprocedure gevoerd om het gebruik van een aantal gebouwen te wijzigen in een kantoorfunctie en/of zakelijke dienstverlening. De betreffende gebouwen staan op het 'eiland' van landgoed Zelle.

Het initiatief

Het initiatief van het landgoed Zelle omvat de volgende onderdelen:

  • Het verplaatsen van de 2 woonfuncties voor het perceel Varsselseweg 45 te Hengelo. Volgens het geldende bestemmingsplan mogen hier twee geschakelde woningen worden gebouwd. De 2 woonfuncties worden verplaatst en vervangen de aanwezige recreatiewoningen Denneveld op het perceel Zelledijk 3 te Hengelo en Reebok op het perceel Wassinkweg 2 te Hengelo.
  • Op het perceel aan de noordkant van de Wassinkweg (tussen de Ruurloseweg en de Beunksteeg) is in het bestemmingsplan de mogelijkheid opgenomen om twee recreatiewoningen van elk 300 m3 te bouwen. De omliggende grond is enkele jaren geleden omgezet van landbouwgrond naar natuurterrein. De kaveltjes waar de 2 (te verplaatsen) recreatiewoningen gebouwd mogen worden zijn bewust buiten de omvorming naar natuurterrein gehouden, zodat de bouw daar dus nog wel mogelijk zou zijn, maar vanwege de ligging in het GNN dat niet meer wenselijk is. Voorts betreft het een sterk beschaduwde, smalle kavel, die ontsloten wordt via een zandweg. Nutsvoorzieningen in de direct nabijheid ontbreken. De 2 recreatiewoningen worden verplaatst naar gedeelte van het perceel Varsselseweg 45 (zie ook hierboven). Op dit perceel zijn de noodzakelijke nutsvoorzieningen aanwezig zijn, de ligging is qua bezonning gunstig. Het perceel wordt ontsloten aan een verharde weg en ligt buiten het GNN. Het resterende deel van het perceel Varsselseweg wordt omgezet naar agrarisch gebruik.
  • De pachtboerderij Klein Zelle (Beunksteeg 2 en 2a te Hengelo) heeft een dubbele woonbestemming. Met het overlijden van de inwonende grootouders en de groei van het loonbedrijf dat hier is gevestigd (loonbedrijf Haaring) is de tweede woonbestemming op deze locatie feitelijk niet meer nodig. De grootouderwoning is omgebouwd naar kantine en kantoor (om die reden is behoud van het dubbele huisnummer wel wenselijk). De overbodige tweede woonbestemming op dit perceel vervalt en wordt verplaatst ter vervanging van de vakantieboerderij Sterreveld (Ruurloseweg 93 te Hengelo). Dit pand heeft een inhoud van ongeveer 550 m3 en blijft in zijn huidige volume en vorm gehandhaafd. Er is geen bijgebouw aanwezig, dat zal wel toegevoegd moeten worden.

Op onderstaande kaart worden onder andere bovenstaande verplaatsingen verbeeld.

verplicht

Afb. locaties deelgebieden en verplaatsingen

Samengevat betekent dit het volgende:

  • 2 recreatiewoningen aan Wassinkweg vervallen en worden verplaatst naar Varsselseweg 45;
  • 3 woonfuncties ( 2 woningen Varsselseweg 45 en 1 woning Beunksteeg) vervallen en worden verplaatst ter vervanging van recreatiewoningen Denneveld perceel Zelledijk 3, Reebok perceel Wassinkweg 2 en Sterreveld (Ruurloseweg 93).
  • Het aantal recreatiewoningen neemt af met 3.

Relatie met landschap

De bestaande bomen en bosschages kunnen eenvoudig gehandhaafd blijven. Het verplaatsen van de 2 recreatiewoningen aan de Wassinkweg naar De Varsselseweg 45 levert een positieve bijdrage aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden vanwege de ligging van het perceel Wassinkweg binnen het Gelders Natuurnetwerk. Een deel van de gronden aan de Varsselseweg gronden krijgt een agrarische functie. De overige gronden worden ingericht voor de bouw van 2 recreatiewoningen. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van deze 2 recreratiewoningen is een inrichtingsplan opgesteld.

De belangrijkste elementen uit dit inrichtingsplan zijn de volgende:

  1. Wallichaam met struikbeplanting
  2. Struikgroepen
  3. Struweelhaag
  4. Knip-/scheerhaag met knotbomen
  5. Robuuste knip- /scheerhaag met solitaire bomen
  6. Hoogstamboomgaard

Bovenstaande nummering correspondeert met de nummering van het inrichtingsplan. Voorts wordt de bestaande walnootboom gehandhaafd. Bij de aanleg van de parkeerplaatsen en de inritten zal gebruik worden gemaakt van natuurlijke materialen.

Voor een uitgebreide beschrijving van het inrichtingsplan wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting.

verplicht

Afb. inrichtingsplan Varsselseweg 45

Verkeer en parkeren

Op de percelen waar gewoond of gerecreëerd wordt kan in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners en bezoekers.

1.1.3 Uitvoerbaarheid     

1.1.3.1 Toetsing aan beleidskader     

  • Rijksbeleid

De realisering van de EHS en de toepassing/uitwerking van de Ladder voor duurzame stedelijkeling is nader geregeld en omschreven in de de provinciale Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland.

Het voorliggende stemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. worden vermeld of die de geldende drempelwaarden enigszins benaderen.

  • Provinciaal beleid

Toetsing aan de Ladder voor duurzaam ruimtegebruik

In het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van herschikking van een beperkt aantal woon- en recreatieve verblijffuncties waarbij het aantal woningen niet toeneemt en het aantal recreatiewoningen met 3 afneemt.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Zoals hierboven al vermeld is er sprake van herschikking van een beperkt aantal woon- en recreatieve verblijffuncties waarbij het aantal woningen niet toeneemt en het aantal recreatiewoningen met 3 afneemt. Een tweetal recreatiewoningen wordt verplaatst vanwege de ligging in het Gelders Natuurnetwerk naar beter geschikte locatie aan de Varsselseweg. Drie woningen worden verplaatst naar locaties waar recreatiewoningen staan. Deze recreatiewoningen worden verwijderd en op dezelfde plek wordt een woning teruggebouwd. De vermindering van het aantal recreatiewoningen en de uitplaatsing van 2 recreatiewoningen naar een minder natuurgevoelige locatie levert een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het gebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de 6 locaties en van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroene kleur) en Groene Ontwikkelingszone (donkergroene kleur) weer.

verplicht

  • Regionaal beleid

Het regionaal beleid bevat geen essentiele beleidsuitgangspunten die van belang zijn voor het onderhavige bestemmmingsplan.

  • Gemeentelijk beleid

Woonbeleid

Het omzetten van recreatiewoningen in een woonbestemming past niet meer binnen het gemeentelijk woonbeleid en kan in het kader van het Masterplan Landgoed Zelle niet zondermeer worden uitgevoerd.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een verschuiving van een aantal functies zonder dat er sprake is van een toename van het aantal woningen. Voorts zet het plan in op de gewenste versterking van de woonkwaliteit omdat op landgoed Zelle een woonmilieu wordt geboden dat zeer hoogwaardig is en de praktijk wijst uit dat mensen daar graag willen wonen (er is al een wachtlijstje voor de 3 tot woning te bestemmen vakantiehuizen).

Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen

Ten behoeve van een verantwoorde landschappelijke inpassing is een inrichtingsplan opgesteld. Voor een uitgebreide beschrijving van het inrichtingsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.1.2.

Parkeerbeleid

Met het verschuiven van functies en het laten vervallen van 3 recreatiewoningen zal de parkeerbehoefte enigszins afnemen.

Gelet op het bovenvermelde is het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming met de uitgangspunten van de beleidskaders van de verschillende overheden.

1.1.3.2 Omgevingsaspecten     
1.1.3.2.1 Duurzaamheid     

Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 2.2.1 Omgevingsvisie waar ingegaan wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking/duurzaam ruimtegebruik en naar paragraaf 2.4.8.

1.1.3.2.2 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

De betreffende gronden zijn langere tijd in gebruik geweest voor recreatieve verblijfsfuncties. Op deze gronden hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Het omzetten van deze verblijfsfuncties in een woonfunctie kan daarom plaatsvinden zonder een bodemonderzoek.

Voor het bouwen van 2 recreatiewoningen aan de Varsselseweg is een bodemonderzoek nodig omdat er geen duidelijk beeld bestaat van de aanwezige bodemkwaliteit.

In verband hiermee is een onderzoek verricht naar de bodemgesteldheid. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform het protocol voor verkennend bodemonderzoek NEN-5740. Uit de resultaten van het bodemonderzoek in september 2015 blijkt het volgende.

Asbest

Tijdens het veldonderzoek is in het opgeboorde materiaal van de uitgevoerde boringen geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Onderzoeksresultaten

Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat:

  • in het grondmonster geen verontreinigingen zijn aangetroffen.
  • het grondwater uit de peilbuis licht verontreinigd is met Barium.

Het regionale karakter van de lichte, metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond wordt de onderzoekshypothese dat de locatie als 'onverdacht' wordt aangemerkt bevestigd.

De Omgevingsdienst Achterhoek heeft het onderzoek beoordeeld en bij brief van 29 oktober 2015

(kenmerk : 2015EAB0048) ingestemd met de opzet van het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies.

Conclusie

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). Het onderzoek en de beoordeling van de Omgevingsdienst zijn als bijlagen bij de toelichting gevoegd.

1.1.3.2.3 Geluid     

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering.

Naast woningen worden in de Wgh ook de volgende bestemmingen als geluidsgevoelig aangewezen:

  • scholen voor basis- en voortgezet onderwijs;
  • instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
  • algemene, categorale en academische ziekenhuizen en verpleeghuizen;
  • andere gezondheidszorggebouwen (zoals psychiatrische ziekenhuizen, kindertehuizen en dergelijke);
  • woonwagenstandplaatsen.

De Ruurloseweg heeft 2 rijstroken en is in het buitenstedelijk gebied van de gemeente Bronckhorst gelegen, de zonebreedte bedraagt daardoor 250 meter. De geluidgevoelige bestemming, in dit geval 1 woning, ligt volledig binnen de zone van de Ruurloseweg, waardoor de hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg in acht dient te worden genomen. Voor geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde ten gevolge van wegverkeerslawaai (de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting) 48 dB. Om de geluidsbelasting op de gevel van de geluidgevoelige bestemming te kunnen bepalen is in december 2015 een onderzoek uitgevoerd.

Uit de berekeningen van het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de woning ten gevolge van de Ruurloseweg lager of gelijk zijn aan de voorkeurswaarde van maximaal 48 dB. Een nader akoestisch onderzoek naar geluidreducerende maatregelen of het aanvragen van hogere waarden is voor het plan niet nodig.

De geplande recreatiewoningen aan de Varsselseweg zijn in de Wet geluidhinder niet aangewezen als een geluidsgevoelige bestemming en formeel behoeft er niet getoetst te worden aan te Wet geluidhinder. De geluidsbelasting is echter wel berekend om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare recreatiebeleving.Uit de berekeningen van het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ook voor de recreatiewoningen ten gevolge van de Varsselseweg lager of gelijk zijn aan de voorkeurswaarde van maximaal 48 dB.

De Omgevingsdienst Achterhoek heeft bij brief van 9 november 2015 aangegeven dat door onduidelijkheden in de basisgegevens de eindresultaten en -conclusie van het onderzoek niet kunnen worden beoordeeld. De Omgevingsdienst Achterhoek adviseert het onderzoek aan te passen.

In december 2015 is een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd met inachtneming van de opmerkingen van de Omgevingsdienst.

Conclusie

De Wet geluidhinder legt geen beperkingen op tegen de nieuwe geluidsgevoelige woonfunctie aan de Ruurloseweg. De recreatieve verblijfsfuncties aan de Varsselseweg ondervinden geen geluidsoverlast die een aanvaardbare recreatiebeleving frustreren.

Een nader akoestisch onderzoek naar geluidreducerende maatregelen of het aanvragen van hogere waarden is voor het plan niet nodig. Het onderzoek en de beoordeling van de Omgevingsdienst zijn als bijlagen bij de toelichting gevoegd.

1.1.3.2.4 Luchtkwaliteit     

De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.



De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.



Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg);
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

Uit de rapportage luchtkwaliteit en de berekeningen over 2006 en 2007 van de gemeente Bronckhorst blijkt dat er geen locaties in de gemeente aanwezig zijn waar de normen van luchtkwaliteit overschreden worden.

In het bestemmingsplangebied neemt het aantal recreatiewoningen af met 3 en het aantal toegelaten woningen blijft onveranderd. De uitvoering van het bestemmingsplan heeft minstens een neutraal effect op de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek op het gebied van de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

1.1.3.2.5 Geur     

Het onderling verschuiven van een aantal geurgevoelige functies in combinatie met de afname van het recreatiewoningen levert geen beperkingen op voor agrarische bedrijven in de omgeving.

1.1.3.2.6 Bedrijven en milieuzonering     

Het onderling verschuiven van een aantal hindergevoelige functies in combinatie met de afname van het recreatiewoningen levert geen (verdere) beperkingen op voor agrarische bedrijven in de omgeving.

1.1.3.2.7 Externe veiligheid     

In de omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig en er liggen ook geen onder- of bovengrondse transportleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over (water)wegen vindt niet in de directe omgeving plaats van de verschillende locaties .

1.1.3.2.8 Water     

Voor de uitvoering van ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met het aspect water. Om dit te kunnen waarborgen is een watertoets verplicht voor diverse ruimtelijke plannen, waaronder een bestemmingsplan. Dit betekent dat de ruimtelijke onderbouwing van het plan een waterparagraaf dient te bevatten waarin de waterhuishoudkundige situatie wordt beschreven en de effecten van de ruimtelijke veranderingen op de waterhuishouding worden verwoord.

Het onderling verschuiven van een aantal verblijfsfuncties in combinatie met de afname van het reatiewoningen levert geen vergroting op van de bebouwde oppervlakte. De bestaande bebouwing is al voorzien van een aansluiting op het riool. Deze bestaande rioleringssituatie zal ook gelden voor de te verschuiven functies.

Het perceel aan de Varsselseweg 45 waar 2 recreatiewoningen worden gebouwd in plaats van 2 woningen zal worden aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater wordt afgekoppeld en in de bodem geïnfilteerd.

Waterhuishoudkundige aspecten

In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen.

Thema Toetsvraag Relevant Inten- siteit
Veiligheid 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)

2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee





Nee
2





2
Riolering en

Afvalwaterke- ten
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ

3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?
Nee



Nee

Nee
2



1

1
Wateroverlast(oppervlaktewater) 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2

2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2

3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ?

4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes
Nee



Nee



Ja



Nee
2



1



1



1
Oppervlakte-waterkwali-

teit
Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee 1
Grondwater-

overlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

2. Is in het plangebied sprake van kwel?

3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Nee



Nee

Nee
1



1

1
Grondwater- kwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ? Nee 1
Inrichting en

beheer
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Ja





Nee
1



2
Volksgezond-heid 1.In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?

2.Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygië nische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee



Nee
1



1
Natte Natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur

4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee



Nee



Ja



Nee
2



2



1



1
Verdroging Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Nee 1
Recreatie Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee 2
Cultuurhisto- rie Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? Nee 1

Nadere toelichting Wateroverlast (oppervlaktewater)

Het gebied is geschikt voor de infiltratie van hemelwater. De oppervlakte aan verharding neemt in het kader van dit plan af. De hemelwaterafvoer van de woningen en recreratiewoningen is of wordt afgekoppeld. De ondergrond is daar geschikt voor. Er is voldoende ruimte om het hemelwater zonder problemen in de bodem weg te laten vloeien.

Nadere toelichting Inrichting en beheer

In of nabij het plangebied liggen watergangen die in het beheer zijn bij het waterschap

Rijn en IJssel. Langs deze A-watergangen ligt tot 5 meter uit de insteek een beschermingszone. Activiteiten in deze beschermingszone van de watergang zijn vergunningsplichtig.

Nadere toelichting Natte Natuur

De percelen binnen het plangebied die van bestemming verschuiven liggen binnen de beschermingszone 'Natte Natuur'. De beoogde ontwikkelingen hebben geen negatieve invloed op de waterkwantiteit en -kwaliteit in relatie tot de natte natuurgebieden.

Overleg

In het kader van het vooroverleg is advies ingewonnen bij het waterschap Rijn en IJssel. Bij brief van 18 november 2015 heeft het waterschap gereageerd.

1.1.3.2.9 Archeologie en cultuurhistorie     

Het voorliggende bestemmingsplan heeft een neutraal effect op de archeologische en cultuurhistorische waarden omdat er sprake is van het verschuiven van functies naar percelen waar de bestaande bebouwing zal verdwijnen. De bodem van deze percelen is al geroerd en de omvang alsmede de diepte van de ingrepen blijven beperkt. Op het perceel Varsselseweg 45 (zie onderstaande afbeelding) is overigens geen bebouwing meer aanwezig. Volgens de gemeentelijke parapluplan archeologie hebben de gronden de 'waarde - archeologie 1' .Bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m moet een archeologisch onderzoek worden verricht. De oppervlakte van de 2 te bouwen recreatiewoningen blijft onder de oppervlakte van 250 m2 waardoor er geen archeologisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd.

verplicht

Afb. uitsnede gemeentelijke parapluplan archeologie met ligging perceel aan de Varsselseweg 45

1.1.3.2.10 Flora en fauna     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen natuurwaarden en wettelijk beschermde soorten of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Daarnaast is het beleid aangaande de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Gelders Natuurnetwerk van belang.

Flora- en faunawet

Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden en met rust laten van de planten en diersoorten die in het wild voorkomen. Op grond van de Flora- en faunawet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfsplaats.

Natuurbeschermingswet/gebiedsbescherming

De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de natuurmonumenten.

De 6 locaties liggen niet binnen speciale beschermingszones als bedoeld in de Natuurbeschermingswet en ook niet in de nabijheid hiervan, maar ze zijn gelegen in of nabij het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Zoals al eerder vermeld, voorziet het bestemmingsplan uitsluitend in het verschuiven van bestaande verblijfsfuncties waarbij het aantal woningen niet toeneemt en het aantal recreatiewoningen met 3 afneemt. Met het laten vervallen van de recreatiewoningen aan de noordkant van de Wassinkweg wordt bovendien een positieve bijdrage geleverd aan de verbetering van de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk.

Ten behoeve van het voorliggende bestemmingsplan is daarom afgezien van het uitvoeren van een quickscan flora en fauna.

1.1.3.2.11 Verkeer     

De uitvoering van het bestemmingsplan heeft geen negatief significante effecten op de verkeersbewegingen op het landgoed en de omgeving.

1.1.3.2.12 Leidingen     

In het plangebied en de directe omgeving ervan liggen geen onder- of bovengrondse transportleidingen.

1.1.3.3 Volkshuisvesting     

De uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot een toename van het aantal woningen. Het bestaande aantal woningen blijft ongewijzigd.

1.1.3.4 Economisch     

Voor de realisatie van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Alle kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer.

Landgoed 't Zelle regelt de financiering van de bouw zelf. De financiële positie van deze organisatie is dusdanig positief, dat de uitvoering van het plan geen problemen zal geven.

De realisering van het bestemmingsplan leidt derhalve niet tot kosten die voor de rekening van de gemeente Bronckhorst komen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

De gemeente Bronckhorst heeft met de initiatiefnemer een planschade-overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat eventueel optredende planschade wordt doorberekend aan de initiatiefnemer.

1.1.3.5 Overleg en inspraak     

Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed

Zelle Hengelo’ en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 28 januari t/m 9

maart 2016 voor een ieder ter inzage gelegen. Hierop is één inspraakreactie

binnengekomen.

1.1.3.5.1 Overleg     

In het kader van vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening hebben Provincie Gelderland en Waterschap Rijn en IJssel hun visie op het plan geuit. Beiden zijn akkoord wat betreft de voorgenomen wijzigingen.

1.1.3.5.2 Inspraak     

Hieronder volgt de inspraakreactie met de gemeentelijke beantwoording er

op:

Reclamant 1

Registratienummers: 107542 en 107548 (reactie per mail en post)

Geluidshinder/-overlast voor de nieuwe recreatiewoningen

De indiener is van mening dat de twee nieuw te realiseren recreatiewoningen aan de

Varsselseweg 45 hinder en zelfs overlast gaan ervaren van de groepsaccommodatie die al

sinds 1963 in gebruik is. De groepsaccommodatie is geschikt voor het overnachten van 148

personen en worden door zeer uiteenlopende groepen gebruikt (van muziekkorpsen tot

sportvereveningen, van studentenverenigingen tot kerkelijke groepen en ook ten behoeve

van schoolkampen, familiereünies en groepen met een lichamelijke en geestelijke

beperking). Al deze groepen hebben tijdens hun verblijf één ding gemeen en dat is dat zij

allen groepsactiviteiten doen in vorm van sport- en spel op het sport-/speelveld. Het geluid

wat hierbij vrijkomt, kan als zeer hinderlijk worden ervaren (bij een ongunstige windrichting).

Dit zou volgens de indiener de bezetting en exploitatie van de recreatiewoningen niet ten

goede komen. De Haverkamp zou er ook nadelige invloed van kunnen ondervinden.

Daarnaast draagt de indiener aan dat de Varsselseweg een drukke weg is waar veel woonwerk-

verkeer over heen komt. Daarnaast ligt de golfbaan op korte afstand, wat elkaar ook

kan tegenwerken.

Gemeentelijke reactie:

De afstand tussen het agrarisch bouwperceel aan de Vierblokkenweg 5 en te realiseren

recreatiewoningen bedraagt hemelsbreed meer dan 240 meter en naar het sportveld en de

groepsaccommodatie nog verder. Om in Nederland minimale richtafstanden te hebben van

bepaalde functies/activiteiten op milieugevoelige objecten is er door de VNG de brochure

‘Bedrijven en milieuzonering’ uitgebracht. De meest recente versie dateert uit 2009. Als we

de activiteiten (sport/spel en groepsaccommodatie) van De Haverkamp langs deze lijst

leggen, kunnen wij deze gelijkschakelen aan de activiteiten ‘veldsportcomplex’ en

‘kampeerterrein/vakantiecentra’. Deze hebben beiden een richtafstand van 50 meter m.b.t.

geluid. Daar wordt hier ruimschoots aan voldaan. Behalve plichten geeft deze lijst ook

rechten voor de bestaande functies/activiteiten die er al zaten. Mocht er hinder worden

ervaren en de indiener heeft zich daarnaast ook correct aan de Algemene Plaatselijke

Verordening en de Nederlandse regelgeving qua tijden gehouden, dan hebben eventuele

klagers geen recht van spreken. Daarnaast is het realiseren van deze recreatiewoningen een

ondernemersrisico van de initiatiefnemer. Hij voldoet immers aan de richtafstanden.

De Varsselseweg is een erftoegangsweg en daar mogen maximaal 2.000 voertuigen per

etmaal over heen. Dit wordt bij lange na niet behaald. De toevoeging van twee

recreatiewoningen verandert nauwelijks iets aan het aantal voertuigen per etmaal. Daarnaast

is de initiatiefnemer bewust van het zwaardere verkeer op dit gedeelte van de Varsselseweg,

maar ziet dit niet als belemmering voor deze ontwikkeling. De initiatiefnemer ziet overigens

de directe omgeving en de golfbaan als pluspunten om deze recreatiewoningen te

ontwikkelen. Daarnaast geldt voor een golfbaan een minimale richtafstand van 10 meter

(VNG-brochure). Deze richtafstand wordt ook gehaald.

Wij als gemeente vinden dit planologisch ook een goede ontwikkeling, want er wordt aan de

richtafstanden voldaan en per saldo gaan er drie recreatiewoningen weg.

1.1.3.6 Conclusie     

Uit gebleken onderzoeken, vooroverleg- en inspraakreacties zijn geen onoverkomelijke belemmeringen ontstaan voor het geven van planologische medewerking aan deze ontwikkeling. Daarom de lijn doorzetten om het ontwerpbestemmingsplan in procedure te brengen.

Hoofdstuk 2 Beleidskader     

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het beleid het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

2.1 Rijksbeleid     

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Wel zijn er 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen.

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van ronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Volgens artikel 2.10 van het Barro worden bij provinciale verordening de gebieden aangewezen die de ecologische hoofdstructuur vormen alsmede de wezenlijke kenmerken hiervan. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot de ecologische hoofdstructuur en een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken geen activiteiten mogelijk maken ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:

  1. er sprake is van een groot openbaar belang,
  2. er geen reële alternatieven zijn, en
  3. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Daarnaast biedt het Barro de mogelijkheid de begrenzing te wijzigen:

  1. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van de ecologische hoofdstructuur, voor zover:
    1. de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur worden behouden, en
    2. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft;
  2. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover:
    1. de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van de ecologische hoofdstructuur beperkt is,
    2. de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur, of een vergroting van de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur, en
    3. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft;
  3. ten behoeve van de toepassing van de krachtens artikel 2.10.4, eerste lid, gestelde regels.

In paragraaf 2.2.1. wordt nader ingegaan op de EHS als onderdeel van de Omgevingsvisie van Gelderland.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en ook in het Barro opgenomen. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2). De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. De ladder bestaat uit drie treden (de 3 B's):

  1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan.
  2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties.
  3. Bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.”

In paragraaf 2.2.1 wordt ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking nader uitgewerkt in de provinciale ladder voor duurzaam ruimtegebruik als onderdeel van de Omgevingsvisie van Gelderland.

2.1.3 Nationaal Waterplan     

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.



Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wro heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.



Het plangebied ligt in het gebied 'Hoog Nederland'. Hoog Nederland omvat grofweg de zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. De belangrijkste wateropgaven voor dit gebied zijn watertekort, grondwater, wateroverlast en grondwaterkwaliteit.



Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Het NWP heeft een relatie met de beleidstrajecten voor de ondergrond en drinkwater. Dit plan bevat daarom verwijzingen naar de Structuurvisie Ondergrond die in ontwikkeling is en de vastgestelde Beleidsnota Drinkwater.

In december 2014 heeft de Minister een ontwerp Nationaal Waterplan voor 2016-2021 (NWP2) aangeboden aan de Tweede kamer. Het NWP2 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015, inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Dit NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het streven is gericht op een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Belangrijke onderdelen van dit plan zijn:

  • het rijksbeleid dat voortvloeit uit de deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);
  • ontwerp Beleidsnota Noordzee;
  • de verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet (Internationale Waterambitie) en bestuurlijke verhoudingen (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma);
  • voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu door geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma's op te nemen.

2.1.4 Waterbeleid van de 21e eeuw     

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In het kader van het actualiseren van bestemmingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

2.1.5 Ladder duurzame verstedelijking     

Per 1 oktober 2012, is artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van kracht. Dit artikel bepaalt dat een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies gebaseerd dient te zijn op een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Bro. Het Bro bepaalt dat voor ondermeer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

verplicht

Afbeelding - Ladder duurzame verstedelijking

Het beter benutten van het bestaand stedelijk gebied kent randvoorwaarden en een concurrerende ruimtevraag die wordt opgelost door maatwerk te bieden binnen de kaders die wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt hierbij is een goede ruimtelijke ordening gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Met de huidige maatschappelijke opgaven op o.a. het gebied van klimaat en energie is het duidelijk dat er meerdere claims liggen op de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Deze claims moeten onderling afgewogen worden om tot zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame ruimtelijke kwaliteit te komen. Het transparant en helder motiveren is de essentie van het werk aan een duurzame verstedelijking.

2.1.6 M.e.r.-beoordeling     

Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activiteiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld. De procedure voor de milieu-effectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer. De uitvoeringsregels staan in het Besluit m.e.r.

In het Besluit m.e.r. staan de verschillende activiteiten, besluiten en overheidsplannen waarvoor het verplicht is een milieu-effectrapportage te maken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen in de besluitvorming.

In het Besluit m.e.r. (gewijzigd 1 april 2011) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r.:

  • m.e.r.-plicht;
  • m.e.r.-beoordelingsplicht;
  • vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.

In het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

Onderdeel B van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bevat activiteiten die qua omvang onder de in onderdeel C genoemde drempel blijven. Voor deze situaties moet eveneens in alle gevallen als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden, per geval door middel van een m.e.r.-beoordeling worden vastgesteld of een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld.

De drempelwaarden in onderdeel D zijn indicatief. Om te beoordelen of voor een activiteit een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt kan niet alleen volstaan worden met het raadplegen van de drempelwaarden in onderdeel D. Er moet sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 een extra stap doorlopen worden om na te gaan of er een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Dit wordt ook wel aangeduid met de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

2.2 Provinciaal beleid     

2.2.1 Omgevingsvisie     

Op 9 juli 2014 en 24 september 2014 stelden Provinciale Staten respectievelijk de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de nieuwe Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beiden op 18 oktober 2014 in werking getreden.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  1. een duurzame economische structuur;
  2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd. De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor:

  • sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken;
  • een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan.



Ook de provincie kent, evenals het rijk, een ladder voor duurzame verstedelijking. Voor nieuwe stedelijke functies in het buitengebied geldt dat deze afgewogen dienen te worden in het licht van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik vervangt het beleid van de woningbouwcontour en de zoekzones. Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Een goede afweging volgens de ladder vraagt om kennis van de bestaande voorraad. Gekoppeld daaraan zijn er vragen over de opgaven en kwaliteiten in een gebied:

  1. past de ontwikkeling bij de doelen in Gelderland? Zo ja:
  2. hoe voegt de ontwikkeling extra kwaliteit toe aan een gebied?

Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.

De rijksladder heeft betrekking op stedelijke ontwikkelingen. De provincie wil onderzoeken of de ladder ook voor landelijke functies kan worden uitgewerkt. Vooruitlopend daarop spreekt de provincie nu al van de ladder voor duurzaam ruimtegebruik.

De provincie streeft naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. De provincie heeft daartoe de Ecologische Hoofdstructuur opnieuw gedefinieerd in het (GNN). In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Hier ligt een opgave om nog 5.300 hectare natuur te ontwikkelen (was 11.000 hectare). De provincie richt zich op het realiseren van een robuust Gelders Natuurwerk met voldoende middelen voor het ontwikkelen, onderhouden en beheren op de langere termijn.

De 'niet-natuur' in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (woningen, bedrijven, infrastructuur) heet voortaan de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Het betreft 25.000 hectare grond. In de GO liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor organisaties en particulieren. De ontwikkelingen moeten passen bij het karakter van het GO. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.

2.2.2 Omgevingsverordening     

De omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Voor de niet-grondgebonden landbouw stuurt de verordening op een 'plussenbeleid' (bovenwettelijke maatregelen) bij uitbreidingen. Een en ander volgens door de gemeenten/regio's nader uit te werken beleidskaders.

2.2.3 Belvoir 3     

Monumenten, archeologische vindplaatsen en waardevolle landschappen worden steeds meer bedreigd door oprukkende bebouwing en economische activiteiten. De nota Belvoir 3 (2009-2012) wil daar wat aan doen.

De provincie heeft met Belvoir 3 als centrale doelstelling; het realiseren van betekenisvolle plekken en daarmee een duurzame leefomgeving. Met betekenisvolle plekken bedoelen we wenselijke, zich onderscheidende-, sociaal- en economisch succesvolle plaatsen. Daarbij is er niet alleen aandacht voor cultuurhistorie, maar ook een duidelijke missie op dit gebied. De nota is een vervolg op de eerdere nota's Belvoir 1 en 2. In deze nota's is vastgelegd hoe de provincie haar cultuurhistorisch erfgoed wil bewaren en versterken. De twee vorige nota's hebben voorkomen dat veel typisch Gelderse cultuurhistorische waarden versnipperden of zelfs verdwenen.

Ook in de derde beleidsperiode gaat de provincie hier onverminderd mee door. Niet afwachtend, maar pro-actief. De Gelderse identiteit blijft hierbij de rode draad. De provincie zet nadrukkelijk in op gebiedsgericht beleid, op basis van de cultuurhistorische kenmerken (DNA's) die voor de tien gebieden in Gelderland zijn bepaald. Daarnaast werkt de nota Belvoir 3 aan:

  • implementatie van het Archeologisch afwegingskader;
  • professionalisering en intensivering van de taken van het Gelders Archeologisch Centrum;
  • het programma 'de Gelderse Voet': het kennis- en kundeproject in de restauratiebouw;
  • grote projecten zoals het 'Masterplan Limes', de 'Nieuwe Waterlinie' en 'Religieus Erfgoed';
  • betere communicatie van het cultuurhistorische beleid.

2.2.4 Cultuur- en erfgoedprogramma 2013-2016     

Erfgoed is een belangrijke pijler van identiteit en ruimtelijke kwaliteit. Investeren in erfgoed heeft ook economische voordelen, zoals werkgelegenheid in de restauratiebouw en een sterkere vrijetijdseconomie. De provincie Gelderland doet dit door:

  • kennis en vakmanschap over restauraties te bevorderen om erfgoed te kunnen behouden en ontwikkelen;
  • musea en erfgoedinstellingen te ondersteunen;
  • in duurzame herbestemming van religieus -en industrieel erfgoed te investeren;
  • te werken aan de ontwikkeling en instandhouding van monumentale landgoederen;
  • particulieren te ondersteunen met subsidies voor restauratie en onderhoud;
  • de molens en stoomgemalen te subsidiëren.

Met het programma Gelderland Cultuurprovincie! 2013-2016 draagt de provincie bij aan een hoogwaardig cultuur- en erfgoedklimaat dat door zijn kwaliteit kleur en karakter geeft aan de Gelderse steden en aan de buitengebieden van Veluwe, Achterhoek en Rivierengebied. Daarbij besteedt de provincie extra aandacht aan innovatie en talentontwikkeling in de culturele sector en duurzaamheid en ontwikkeling van vakmanschap in de erfgoed sector. Tevens voert zij een aantal wettelijke taken uit, zoals bijvoorbeeld de ondersteuning van het netwerk van bibliotheken in de provincie en het beheer van archeologische vondsten.

De provincie Gelderland wil in algemene zin bevorderen dat de sector cultuur en erfgoed minder afhankelijk wordt van subsidies. De provincie stimuleert meer ondernemerschap en draagt bij aan vernieuwing, talentontwikkeling en kwaliteitsverbetering. Tevens stimuleert zij gemeentelijke samenwerking in cultuur- en erfgoedpacten, waarin twee of meerdere gemeenten samenwerken om de cultuurparticipatie en/of vrijetijdseconomie in de regio te bevorderen.

2.2.5 Waterplan Gelderland 2010 - 2015     

Het Waterplan bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010 - 2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Op de functiekaart van het Waterplan van de provincie Gelderland zijn de waterfuncties van het plangebied weergegeven. Hieronder staan alle aanwezige functies in het plangebied benoemd.

Stedelijk gebied

Elke kern heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie 'stedelijk gebied'. Zowel in nieuw als in bestaand stedelijk gebied streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel voorkomen worden. Hierbij wordt het water in de stad met het omringende watersysteem als één geheel beschouwd. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn in stedelijk gebied gericht op:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van wateroverlast;
  • de ontwikkeling en het behoud van de natuur in het stedelijk gebied;
  • het voorkomen van zettingen;
  • het herbenutten van ontwateringswater voor drink- en industriewatervoorziening of voor herstel van verdroogde natuur;
  • het weren van de riolering van (diepe) drainage en instromend grond- en oppervlaktewater;
  • het beperken van de vuilbelasting door riooloverstorten en hemelwateruitlaten;
  • het beperken van de invloed van bronbemaling;
  • het realiseren van de basiskwaliteit voor oppervlaktewater.

Landbouw

Binnen de functie landbouw komt natte natuur verspreid in kleine elementen voor. In de gebieden met de functie landbouw is de inrichting en het beheer van het watersysteem allereerst gericht op:

  • een ontwateringsdiepte met aanvaardbare risico's voor wateroverlast en vervolgens minimale vochttekorten;
  • oppervlaktewaterpeilen die het meest voorkomende landbouwkundige grondgebruik accommoderen;
  • beschikbaarheid van oppervlaktewater voor het op peil houden van de grondwaterstand en voor beregening;
  • (zeer) lokale afstemming op verspreid liggende natuurelementen en waardevolle ecologie (vissen, waterplanten);
  • een grondwaterpeil in de veenweidegebieden dat niet verlaagd wordt ten opzichte van het maaiveld (wel het volgen van maaivelddaling). De maximale drooglegging in veenweidegebieden is 60 cm onder maaiveld.

2.3 Regionaal beleid     

2.3.1 Algemeen     

Op het terrein van de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting heeft de Regio Achterhoek geen structurele overgedragen taak. Sinds september 2008 worden deze taken door de gezamenlijke gemeenten zelf opgepakt. Bestuurlijk en ambtelijk aanspreekpunt voor dit werkterrein ligt bij respectievelijk de gemeente Aalten en Bronckhorst.

2.3.2 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012     

De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijk ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.

De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:

  • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
  • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening;
  • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied;
  • positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief.



Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema’s te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.



De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie:

  • Samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingsbeleid
  • Bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal
  • Balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap
  • Innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening
  • Ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend.

Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.

2.3.3 Waterbeheerplan     

Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in het Waterbeheerplan 2010 - 2015 haar beleid vermeld. Dit plan is opgesteld in samenwerking met 4 andere waterschappen, die deel uitmaken van deelstroomgebied Rijn-Oost. Dit plan is per 1 januari 2010 in werking getreden.

De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.

In de Watervisie geeft het Waterschap aan hoe ze aankijken tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het werkgebied om de wateropgaven waarvoor ze de komende 50 jaar staan, duurzaam op te lossen.

In januari 2015 lag het ontwerp van het Waterbeheerplan 2016 - 2021 ter visie voor inspraak. Dit plan zal het huidige Waterbeheerplan vervangen. Naar verwachting wordt het nieuwe Waterbeheerplan in september 2015 vastgesteld.

2.4 Gemeentelijk beleid     

2.4.1 Structuurvisie     

Op grond van de Wro dient elke gemeente een of meerdere structuurvisies vast te stellen voor haar gehele grondgebied. Beleidsdoelen uit de structuurvisie worden gerealiseerd in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen.



De structuurvisie voor de gemeente Bronckhorst is op 25 oktober 2012 vastgesteld en kent een plantermijn van 10 jaar. De structuurvisie is een visie waarin het bestaande beleid geactualiseerd en afgestemd is. Voor het landelijk gebied vormt het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) dat op 25 juni 2009 is vastgesteld, een belangrijke basis (zie paragraaf 2.4.5).

In deze Structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in grote kernen, kleinere kernen, buurtschappen en overig buitengebied. De kernen betreffen de vier grote kernen Hengelo, Steenderen, Vorden en Zelhem en de kleinere kernen Achter-Drempt, Baak, Bronkhorst, Halle, Hoog-Keppel, Hummelo, Keijenborg, Kranenburg, Laag-Keppel, Olburgen, Toldijk, Veldhoek, Velswijk, Voor-Drempt en Wichmond. De buurtschappen onderscheiden zich van het overige buitengebied door een concentratie van woonbebouwing met eventuele voorzieningen. De buurtschappen zijn Bekveld, De Meene, Delden, Dunsborg, Eldrik, Gooi, Halle-Heide, Halle-Nijman, Heidenhoek, Heurne, Linde, Medler, Mossel, Noordink, Oosterwijk, Rha, Varssel, Veldwijk, Vierakker, Wassinkbrink, Wildenborch, Winkelshoek, Wittebrink en Wolfersveen.



De gemeente Bronckhorst heeft in 2006 een groot aantal gebieden aangewezen onder de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Deze zogenaamde Wvg-gebieden reserveren ruimte voor woningbouw, bedrijvigheid en maatschappelijke doeleinden, zoals scholen, gemeentehuis en sportvoorzieningen. Met de vaststelling van de structuurvisie zijn de aangewezen gebieden die onder de Wet voorkeursrecht gemeenten vallen (Wvg-gebieden), bestendigd. De structuurvisie geeft mede de ruimtelijke onderbouwing van het al dan niet bestendigen van de Wvg en de omvang daar van. Inmiddels zijn alle Wvg-aanwijzingen komen te vervallen.

De structuurvisie kent een uitvoeringsparagraaf. In de structuurvisie wordt bepaald welke voorzieningen als 'bovenwijks' worden aangeduid en hoe deze kunnen worden gefinancierd. Hierin wordt aangegeven welk deel van de kosten mogelijk ten laste zal komen van ontwikkelingslocaties. In de structuurvisie wordt ook bepaald of er ten aanzien van nieuwe ontwikkellocaties sprake zal zijn van verevening tussen die locaties. Ook beschrijft de structuurvisie het beleidskader voor eventuele eisen aan woningbouwcategorieën in ontwikkellocaties.

2.4.2 Woonbeleid     

De provincie Gelderland, de Achterhoekse woningcorporaties (verenigd in het ACO) en de zeven Achterhoekse gemeenten willen vanuit een gedeeld urgentiegevoel en een gezamenlijk belang zorgen voor een gezonde woningmarkt. De partijen werken daarom sinds 2010 nauw samen. Deze samenwerking heeft geresulteerd in een regionale woonvisie voor de Achterhoek voor de periode 2010-2020 met als titel 'Alleen ga je sneller, samen kom je verder'. Deze woonvisie is vastgesteld op 27 januari 2011 en speelt in op de gevolgen van de bevolkingsdaling en vergrijzing. In 2013 is de regionale geëvalueerd en geactualiseerd. Gebleken is dat de bevolkingskrimp doorzet en dat aanscherping van de afspraken noodzakelijk was. Een van de maatregelen was dat de werkingsduur van de afspraken verlengd werd van 2010-2020 naar 2010-2025. In mei 2015 is vervolgens de 'Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 vastgesteld met een verdere bijstelling van de afspraken op het gebied van woningbouw en bestaande woningvoorraad. Deze vervangt de voorgaande regionale woonvisie en vormt het nieuwe afsprakenkader met de provincie Gelderland. Nieuw bij de regionale Woonagenda is, dat deze mede tot stand is gekomen met burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties.



De Achterhoek heeft te maken met bevolkingskrimp en heeft inmiddels de officiële status van 'Krimpregio' gekregen. De Achterhoekse gemeenten hebben zich de afgelopen jaren georiënteerd op deze problematiek en hebben verschillende krimpregio's bezocht. Samen met de provincie en de corporaties zijn ze in gesprek gegaan over de prognoses over de demografische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de woningbouw en woningvoorraad in de Achterhoek. Uiteraard is wonen mede afhankelijk van ontwikkelingen op andere terreinen, zoals economie en recreatie. De relatie met de totaalvisie van de Achterhoek, zoals weergegeven in de regionale structuurvisie mag dan ook niet uit het oog worden verloren. Er zijn regionale afspraken gemaakt over de nog toe te voegen woningaantallen alsmede kwalitatieve afspraken over de nieuwbouw en bestaande woningvoorraad. Ook thema's zoals wonen en zorg en de toenemende leegstand in zowel de woningvoorraad als in maatschappelijk en zakelijk vastgoed worden belicht, Het is belangrijk dat de plannen die het meest bijdragen aan het versterken van de woonkwaliteit in de Achterhoek uitgevoerd worden. Het bepalen van de beste locaties is maatwerk dat door de gemeenten zelf wordt gedaan.



Doelstellingen en ambities Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025:

  1. Er zijn in 2025 voldoende woningen van een door bewoners en woningzoekenden gewenste prijs en kwaliteit voorhanden in de bestaande woningvoorraad.
  2. Het eerder afgesproken aantal netto toe te voegen woningen op regioniveau van 5.900 in de periode 2010-2025, wordt met 10% verlaagd.
  3. Op termijn zal sloop van woningen meer dan ooit noodzakelijke worden. Sloop/nieuwbouw is een gezamenlijke regionale opgave en levert een belangrijke bijdrage aan het instandhouden van de woonkwaliteit van de regio. Het draagt tevens bij aan het realiseren van de energiedoelstellingen en aan het vergroten van de woningvoorraad die levensloopbestendig is.
  4. Bij de monitoring van leegstand van woningen hanteren we de grens van maximaal 2%. Hierbij maken we onderscheid tussen huur en koop: huur maximaal 1% en koop maximaal 3%. Als de werkelijke leegstand hoger is dan genoemde percentages wordt aan de hand van een nadere analyse bepaald of maatregelen nodig zijn.
  5. Binnen de bestaande woningvoorraad is enerzijds sprake van waardevermindering en anderzijds van waardetoevoeging. Per saldo streven we zowel op regionaal als lokaal niveau op waardebehoud.
  6. De leefbaarheidsaspecten worden door bewoners gewaardeerd met eenzelfde oordeel als uit het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek uit 2013.
  7. Er zijn voldoende kwalitatief hoogwaardige en bereikbare voorzieningen (ontmoeting, sport, zorg) om in de behoefte van de inwoners te voorzien.
  8. In het Akkoord van Groenlo is afgesproken toe te werken naar een energieneutrale Achterhoek in 2030. Een van de onderdelen hierbij vormt het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad.



Verdeling per gemeente

De zeven Achterhoekse gemeenten hebben op 9 juli 2010 consensus bereikt over de onderlinge verdeling per gemeente van de 5.900 woningen. Ook hebben zij een convenant ondertekend, onder andere inhoudend dat geen nieuwe plannen in behandeling worden genomen die tot een toename van de netto-woningvoorraad leiden. De zeven gemeenteraden hebben in januari 2011 de eerste regionale woonvisie vastgesteld.

In de opvolger hiervan, de Regionale Woonagenda die vastgesteld is op 28 mei 2015, is op basis van nieuwe inzichten besloten dat de afspraak om nog 5.900 woningen toe te voegen in de periode 2010-2025 met 10% zal worden verlaagd. Aan de hand van monitoring kan op een later moment besloten worden of verdere verlaging van het nog toe te voegen aantal woningen plaats moet vinden.

Voor Bronckhorst betekent de regionale verdeling dat er fors geschrapt moest en nog steeds moet worden in de eerder voorziene plannen/aantallen nieuw te bouwen woningen. De destijds berekende lokale woningbehoefte van Bronckhorst van ca. 900 woningen voor de periode 2006-2015 is in de Regionale Woonvisie bijgesteld naar 385 woningen voor de periode 2010-2025. Dit aantal blijft voor Bronckhorst blijft overigens in de Regionale Woonagenda gehandhaafd.

Een groot deel van deze woningen is al in aanbouw, dan wel staat in de startblokken. Voor zover mogelijk blijft de gemeente sturen op het bouwen van het leeuwendeel van de woningen in de vier grotere kernen Hengelo, Steenderen, Vorden en Zelhem. Het handhaven en bevorderen van het voorzieningenniveau heeft hier aandacht, daarnaast is er versnelde aandacht voor de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Wonen en zorg is een belangrijk thema. Maar ook leegstaand en leegkomend vastgoed heeft nadrukkelijk de aandacht gezien het effect hiervan op de kwaliteit en leefbaarheid van het omliggende gebied.

De beperkte mogelijkheden voor nieuwbouw hebben ook consequenties voor het ruimtelijk beleid. Zo zal er aanzienlijk geschrapt moeten worden in de woningbouwplannen. Ook in al bestaande capaciteit, variërend van grotere plannen tot mogelijkheden op perceelsniveau. Niet-benutte bouwvergunningen worden ingetrokken en niet-benutte woningbouwmogelijkheden zullen in de bestemmingsplannen worden wegbestemd.

Voor het buitengebied betekent het bijstellen van de aantallen dat er nog maar zeer beperkte mogelijkheid voor toepassing van het functieveranderingsbeleid in de vorm van woningtoevoeging is en is ook het splitsen van de grotere woningen niet meer mogelijk.

De constructieve samenwerking van de partijen bij de totstandkoming van de eerdere Regionale woonvisie en de huidige regionale Woonagenda zal ook bij de uitvoering ervan, samen met de marktpartijen, cruciaal zijn.

2.4.3 Monumenten, archeologisch en cultuurhistorisch beleid     

De gemeente Bronckhorst kent een Erfgoedverordening waarin de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten is geregeld en waarin het archeologiebeleid is vastgelegd. In september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet verplicht de raad om bij vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en daarvoor regels op te nemen. De Wamz wijst het bestemmingsplan aan als planmodel waarin de archeologische waarden en verwachtingen moeten worden geborgd. Instrument daarvoor is de archeologische waarden- en verwachtingskaart.

De gemeente Bronckhorst heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende archeologische vindplaatsen en terreinen staan die door de provincie en de rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status. Daarnaast geeft de archeologische waarden- en verwachtingskaart een vlakdekkend en zo gedetailleerd mogelijk overzicht van de archeologische verwachtingen binnen de gemeente. Op de hier vanaf geleide beleidsadvieskaart zijn aan de verschillende verwachtingszones uitvoeringsgerichte adviezen voor het gemeentelijk AMZ (Archeologische MonumentenZorg)–beleid gekoppeld. Deze kaarten samen bieden daarmee zowel inzicht in de bestaande archeologische toestand van het landelijke en het bebouwde gebied van de gemeente alsmede een handvat voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden in de ruimtelijke ordening conform de Wamz en de Wro. Op 11 juli 2013 heeft de gemeenteraad middels wijziging van de erfgoedverordening het meest actuele archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is gebaseert op de regionale nota 'Archeologie met beleid - Afwegingskader voor het archeologiebeleid in de Achterhoek'.

De inbreng van cultuurhistorie in ruimtelijk beleid was één van de belangrijkste pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in 2009. Het verankeren van de bescherming van cultuurhistorische waarden in ruimtelijke regelgeving is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Per 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat in de ruimtelijke ordening "rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten". Historische (stede)bouwkunde en historische geografie moeten worden meegenomen in de belangenafweging. Het gaat niet meer alleen om het beschermen van tot monument aangewezen panden en objecten en archeologische waarden, maar ook om andere waardevolle objecten en structuren. Concreet betekent dit dat gemeenten de cultuurhistorie als vast onderdeel mee gaan nemen in structuurvisies, met een doorwerking ervan in bestemmingsplannen.

De gemeente Bronckhorst heeft een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving gemaakt om inzichtelijk te krijgen wat de cultuurhistorische waarden in de gemeente zijn. Met deze cultuurhistorische beschrijving geeft de gemeente inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en in de bijbehorende cultuurhistorische waarden. In het bijbehorende SWOT-analyse is aangegeven wat op dit vlak de sterke en zwakke punten zijn en waar kansen en bedreigingen liggen. De beschrijving is bruikbaar voor het inpassen in diverse beleidsstukken. Daarnaast is het behulpzaam bij het ontwikkelen van een visie op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rondom de cultuurhistorische waarden. De doelgroep van dit project is tweeledig. Enerzijds zijn de resultaten bedoeld als bruikbare instrumenten voor de bestuurders en ambtenaren van de gemeente Bronckhorst. Anderzijds is het uiteindelijk de burger binnen gemeente Bronckhorst die gebaat is bij een degelijke cultuurhistorische beschrijving en aanvullende beleidsnotities. Omdat de gemeente Bronckhorst een groot belang hecht aan de bijdrage van cultuurhistorie aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente, en om de cultuurhistorische kenmerken en kansen te verankeren in beleid, koos de gemeente ervoor om cultuurhistorisch beleid vast te leggen in een thematische structuurvisie cultuurhistorie. De structuurvisie geeft input bij de onderbouwing van de omgang met cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan. In de structuurvisie is de gemeente verdeeld in de volgende drie gebieden, hetgeen de basis vormt van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid:

  • Cultuurhistorisch vrije gebieden
    1. geen leidraad vanuit cultuurhistorie voor ontwikkelingen
    2. cultuurhistorie als vrije inspiratie
    3. gemeente vraagt niets en biedt enthousiasme en welwillendheid
  • Cultuurhistorische kansgebieden
    1. cultuurhistorie als kans en inspirerende leidraad
    2. cultuurhistorie levert een bijdrage aan ontwikkelingen en de ontwikkelingen versterken de cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert en inspireert
  • Cultuurhistorische topgebieden
    1. cultuurhistorie als uitgangspunt
    2. ontwikkeling versterkt cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert, stimuleert en werkt mee

Naast deze drie gebieden zijn tevens cultuurhistorische ensembles en hotspots omschreven. Het gaat om cultuurhistorische structuren en elementen die op het schaalniveau van de gemeente van belang zijn. Ze geven karakter en kleur aan de deelgebieden en kunnen als inspiratie of leidraad dienen bij ontwikkelingen.

De Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is op 31 oktober 2013 door de raad vastgesteld en op 9 januari 2014 in werking getreden.

2.4.4 Welstandsnota     

De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft ondermeer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft 'de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren'. Nieuw is de vaststelling van de nota door de gemeenteraad.

De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit nieuwe beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor een ieder inzichtelijk wordt.

De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.

De nota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.

2.4.5 Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen     

Op 25 juni 2009 heeft de raad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP krijgt verdere uitwerking in de gemeentelijke structuurvisie voor het buitengebied en vormt een gemeentebrede uitwerking van het Landschapsontwikkelingsplan Zelhem, dat als basis voor onderhavig bestemmingsplan dient.

Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg. Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.

2.4.6 Parkeerbeleid     

Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.

De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteren wij als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.

De parkeernormen worden gebruikt om praktische en wettelijke redenen. Praktisch is het handig om met elkaar af te spreken hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn per functie. Op deze manier kan de gemeente van te voren toetsen of een nieuw of aangepast plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Hiermee wordt achteraf getouwtrek en mogelijke parkeeroverlast in de toekomst voorkomen. Wettelijk gezien vloeit het gebruik en toepassen van parkeernormen voort uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Binnen de Wro speelt het bestemmingplan een centrale rol. Hierdoor verdwijnen de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. Een eis voor voldoende parkeergelegenheid is zo'n stedenbouwkundige bepaling. Nu deze niet meer middels de bouwverordening worden geregeld, moeten de parkeernormen op een andere manier vastgesteld worden. Het vastleggen in beleidsregels, als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelike plannen en beoordeling van verzoeken om medewerking aan ruimtelijke ontwikkelingen, is een goed instrument voor dit doel.



Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.

2.4.7 Milieubeleid     

De gemeente Bronckhorst kende een Milieubeleidsplan 2009-2012. Dit beleidsplan geldt niet meer. Een milieubeleidsplan is niet verplicht en om deze reden is er geen nieuwe meer opgesteld. de gemeente Bronckhorst handelt echter nog wel volgens dit beleid.

Het Milieubeleid van de gemeente Bronckhorst komen allerlei milieu-aspecten aan de orde. Bijvoorbeeld wat de gemeente nu doet en in de toekomst van plan is met belangrijke onderwerpen als afval, klimaat, bodem, geluid, lucht, openbaar groen, externe veiligheid en landschap. Dit milieubeleid geeft de ambities en de richting aan die wordt gevolgd voor wat betreft het te voeren gemeentelijk milieubeleid.

In het milieubeleid worden verbanden gelegd tussen de diverse thematische beleidsplannen. Voor veel onderwerpen is al beleid vastgesteld, zoals afval, klimaat, groen, bodem en geluid. Dit beleid is verwerkt en waar nodig aangescherpt. Er zijn duidelijker doelen opgenomen en maatregelen om die te bereiken. Nieuwe onderwerpen in het milieubeleid zijn een nagenoeg afvalloze maatschappij door nog betere scheidingsmogelijkheden en afval als grondstof voor nieuwe producten en de mogelijkheid van subsidie voor energiebesparende maatregelen bij particuliere woningen.

Duurzaamheid en leefbaarheid zijn actuele thema's en met een aantal maatregelen die in het plan zijn opgenomen zet de gemeente zich hiervoor in. Het verminderen van afval en het bijdragen aan het tegengaan van klimaatsverandering zijn aangegeven als de belangrijkste uitgangspunten. Leefbaarheid richt zich hierbij op de korte termijn, hier en nu, de mensen in hun leefomgeving. Duurzaamheid richt op de langere termijn, de volgende generatie en kijkt over de grenzen heen. Het doel van het milieubeleid is een bijdrage leveren aan het creëren van een gezonde, prettige en duurzame leefomgeving voor nu en in de toekomst.

Ruimtelijke ordening richt zich op de inrichting van de leefomgeving. Als gevolg hiervan heeft ruimtelijke ordening vele raakvlakken met de in dit milieubeleid genoemde thema's (bijvoorbeeld Externe Veiligheid en Geluid). Ten aanzien van ruimtelijke ordening zijn als ambitie en doelstelling opgenomen een duurzame inrichting van de schaarse grond, harmonie tussen de diverse functies en het handhaven daarvan. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken zullen de volgende activiteiten worden uitgevoerd:

  • In een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor milieu, duurzaamheid en natuur.
  • Elk ruimtelijk plan/besluit wordt voorzien van een afgewogen keuze ten aanzien van milieuaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, flora en fauna en waterhuishouding).
  • Toepassen van de afstandcriteria voor externe veiligheid, geluid, geur en lucht.
  • Onderzoeken in hoeverre de bestemmingsplannen voldoen aan de normen met betrekking tot externe veiligheid (risicovolle planologische situaties worden zoveel mogelijk voorkomen en de gewenste veiligheidsituatie wordt planologisch vastgelegd).
  • Onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om duurzaamheid te integreren in bestemmingsplannen.

Met het milieubeleid wordt bij het uitoefenen van gemeentelijke taken, waaronder ruimtelijke ordening, rekening gehouden.

2.4.8 Duurzaamheidsbeleid     

De gemeente streeft naar duurzaamheid en wil inzetten op het gebruik van alternatieve energiebronnen, met name biogas en zonne-energie. Daartoe heeft de gemeenteraad op 27 september 2012 de 'Duurzaamheidsagenda Bronckhorst 2013 - 2016' vastgesteld.

Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente is afgestemd op de EU-doelen voor Nederland en voorziet in een reductie van CO2-uitstoot met 20% en het toepassen van 14% duurzame energie in 2020. Daarnaast is het de ambitie van de gemeente om in 2030 energieneutraal te worden.

De gemeente ziet duurzaamheid als een kans voor economische groei. Door het innovatieve karakter liggen er kansen om nieuwe, vaak kennisintensieve werkgelegenheid te scheppen. Het duurzaamheidsbeleid geeft een belangrijke impuls aan de leefbaarheid in de gemeente en aan de lokale en regionale economie.

Lokale initiatieven zijn essentieel voor een duurzaam klimaat. Naast initiatieven om haar eigen bedrijfsvoering energieneutraal te maken, heeft de gemeente het plan om ook met inwoners, dorpsbelangenorganisaties en bedrijven gezamenlijk duurzaamheidsprojecten op te starten en zo bijvoorbeeld de kernen energieneutraal te maken. De gemeente wil deze lokale initiatieven faciliteren.

In de Duurzaamheidsagenda worden tenslotte de speerpunten en belangrijkste acties bij het creëren van een duurzame en groene economie vermeld. Deze speerpunten zijn: klimaat & energie, grondstoffen & produktketens, duurzame gebouwde omgeving, duurzame mobiliteit, duurzame economie en duurzame energieproductie.

2.4.9 Waterbeleid     

De gemeente Bronckhorst sluit ten aanzien van waterhuishouding aan op het beleid van het 'Waterbeleid voor de 21e eeuw' (zie ook paragraaf 2.1.4) en beleid van het Waterschap Rijn en IJssel ten aanzien van integraal waterbeheer zoals dat in het Waterbeheerplan 2010-2015 en de Watervisie is vastgelegd.

Het Waterbeheerplan beschrijft het beleid op hoofdlijnen voor de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de waterkeringen in het beheersgebied van het waterschap. Het plan sluit aan op de beleidskaders van de provincie Gelderland en het Rijk, zoals opgenomen in het provinciale waterhuishoudingsplan en de Kaderrichtlijn Water. De hoofdthema's in het waterbeheerplan zijn veiligheid, watersysteembeheer en waterketenbeheer.

In de Watervisie geeft het Waterschap aan hoe ze aankijken tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het werkgebied om de wateropgaven waarvoor ze de komende vijftig jaar staan, duurzaam op te lossen.

2.4.10 Prostitutiebeleid     

Met ingang van 1 oktober 2000 is tengevolge van wijziging van zedelijkheidswetgeving de opheffing van het algemene bordeelverbod in werking getreden. Met de opheffing van dit verbod is een einde gekomen aan het illegale karakter van deze prostitutiebedrijven. De verwachting bestaat dat van deze wetswijziging een sanerende werking uitgaat en uiteindelijk zal leiden tot een betere regulering van de prostitutiebranche.

Ondanks het feit dat deze bedrijvigheid in Bronckhorst momenteel niet voorkomt, is de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeente aanleiding geweest om de eventuele vestiging en exploitatie van de aan de seksindustrie gelieerde bedrijven/activiteiten planologisch nader te reguleren.

In de bestemmingsplannen van Bronckhorst is de vestiging van een sexinrichting in eerste aanleg uitgesloten. Middels een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden het vestigen van maximaal één seksinrichting in een daarvoor aangewezen zone worden toegelaten. Bij het bepalen van die zone is rekening gehouden met de uitstraling die een sexinrichting heeft naar de omgeving.

2.4.11 Handhavingsbeleid     

Op grond van de huidige rechtspraak is het college van burgemeester en wethouders niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht om tot handhaving over te gaan. Het college heeft een handhavingsbeleid opgesteld waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen het zichzelf stelt bij de handhaving en welke activiteiten het daartoe zal uitvoeren. Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het college kunnen voordoen op basis van prioritering en de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen.

Het beleid richt zich op de zogenaamde preventieve en repressieve vormen van handhaving. Onder deze vormen van handhaving wordt het volgende verstaan.

Preventieve handhaving Preventief handhaven is gericht op het voorkomen van overtredingen. Onderzoeken hebben aangewezen dat veel overtredingen vaak onbewust plaatsvinden. Goede voorlichting, via brochures, voorlichtingsbijeenkomsten, herhaalde informatie in het gemeentelijke nieuwsbulletin, actieve benadering doelgroepen etc. kunnen er toe leiden dat overtredingen worden voorkomen.



Repressieve handhaving Deze vorm van handhaving ziet op het beëindigen van de overtreding door het inzetten van sanctiemiddelen. Bestuursdwang en een dwangsom zijn de meest voorkomende instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft. Voordat deze instrumenten worden ingezet kan in overleg met de overtreder vaak een oplossing bereikt worden. In dat kader wordt er een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de overtreder en het algemeen belang.



Gedogen Het is niet altijd mogelijk, nodig of zelfs wenselijk dat tegen elke vorm van overtreding van een beleidsregel wordt opgetreden. Niet mogelijk, omdat soms teveel overtredingen worden begaan om daartegen op te treden; niet nodig omdat steekproefsgewijs controles en sancties een preventief effect kunnen hebben; niet wenselijk omdat er andere zwaarwegende belangen kunnen zijn die zich tegen handhaving verzetten. Er is/wordt ten aanzien van bestemmingsplannen geen algemeen gemeentelijk gedoogbeleid ontwikkeld.

 

De handhaving van c.q. het toezicht op de ruimtelijke ordening is aangestuurd vanuit het handhaafprogramma 2008 van de gemeente Bronckhorst. Het toezicht vindt onder meer plaats vanuit de thema’s permanente bewoning, klachten verzoeken om handhaving en eigen constateringen.

Wanneer een overtreding wordt geconstateerd wordt via een vaste werkwijze opgetreden. Deze werkwijze is vastgelegd in de nota “Sanctiestrategie Fysieke Leefomgeving’. Voordat wordt gecorrigeerd wordt eerst de legalisatiemogelijkheid onderzocht.

2.4.12 Beleidsvisie voor het buitengebied     

In deze paragraaf wordt de gemeentelijke beleidsvisie voor het buitengebied beschreven en de wijze waarop deze in het bestemmingsplan is vertaald. De beleidskeuzes zijn gebaseerd op de bestaande situatie, de beleidskaders van rijk en provincie en het eigen gemeentelijke beleid.



De basis voor de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan wordt gevormd door de provinciale Structuurvisie (2005). Het beleid in deze visie is door de gemeente overgenomen als uitgangspunt voor dit bestemmingsplan. Daarnaast vormt bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden een belangrijke basis voor het ruimtelijke beleid voor het buitengebied, tenzij er aanleiding is om hiervan af te wijken. Bijvoorbeeld vanwege geactualiseerde beleidskaders.

2.4.12.1 Algemeen     

Het buitengebied van Bronckhorst biedt ruimte aan diverse functies waaronder landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen en werken. De waarden die aan deze functies worden toegekend en de onderlinge relaties verschillen per gebied. Het is dan ook noodzakelijk belangen af te wegen. Soms gaat de ontwikkeling van de ene functie ten koste van de andere functie, soms kunnen ze elkaar ook versterken.

Bij de afweging van de verschillende belangen in het buitengebied is - aansluitend het beleid van provincie en rijk - aan de gebiedsfuncties natuur, landbouw en landschap een doorslaggevend belang toegekend. Ontwikkelingen van andere functies mogen dus niet een zodanige omvang of intensiteit hebben dat ze de functies natuur, landschap en landbouw onevenredig beïnvloeden.

De functies natuur, landschap en landbouw vormen ook de grondslag voor de gebiedsbestemmingen in dit plan. Het karakter van deze functies is echter niet gelijk. Landbouw en natuur zijn gebiedsdekkende functies terwijl het landschap overal is. Het landschap is het resultaat van de ontwikkelingen op het gebied van landbouw en natuur c.q. de wijze waarop de mens en natuur met elkaar omgaan. Een ingewikkeld samenspel dat in ons land diverse waardevolle cultuurlandschappen met zeer verschillende identiteiten heeft opgeleverd. Ook op de schaal van het buitengebied van Bronckhorst is dit het geval: de ontginningsgeschiedenis heeft geleid tot het huidige cultuurlandschap waarin landbouw en natuur hun eigen plaats hebben.

Vanwege deze wisselwerking tussen landbouw, natuur en het landschap én gelet op het grote belang dat (door de gemeente en ook de hogere overheden) wordt gehecht aan de instandhouding van dit cultuurlandschap geldt voor dit bestemmingsplan de volgende algemene en overkoepelende beleidskeuze: Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschapstypen en het waarborgen van de dynamiek daarbinnen.

2.4.12.2 Gebiedsbestemmingen     

De functies landbouw, natuur en landschap vormen de grondslag voor de gebiedsbestemmingen in het bestemmingsplan.

Waar nodig wordt ingezet op een scheiding van de functies landbouw en natuur. Dit vanwege de spanningen die er zijn tussen de productiefunctie landbouw (met de bijhorende schaalvergroting en intensivering) en de kwetsbare natuurfunctie. In de agrarische gebieden worden zo weinig mogelijk beperkingen opgelegd aan de landbouw, in de natuurgebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur kan de natuur zich verder ontwikkelen.

Waar mogelijk wordt ook gekozen voor verweving van de functies landbouw en natuur. Dit omdat ontwikkelingen in de landbouw enerzijds en de natuur (en het landschap) anderzijds elkaar ook kunnen versterken. Zo is het duurzaam voortbestaan van de grondgebonden landbouw een essentiële voorwaarde voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle landschap. Ook verbreding van de agrarische bedrijfsvoering en agrarisch natuurbeheer kunnen een gunstig effect hebben op natuur en landschap.

De begrenzing van de gebiedsbestemmingen is primair gebaseerd op de zonering van het landelijk gebied zoals deze is vastgelegd in de provinciale Structuurvisie. Het onderscheid tussen het groen/blauwe raamwerk en het multifunctionele gebied is hierbij als uitgangspunt genomen. Daarnaast is ook het geldende bestemmingsplan Buitengebied uit 1988 en het Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen (LOP) bij de begrenzing van de gebiedsbestemmingen betrokken.

Voor de benaming van de gebiedsbestemmingen hebben de standaardiseringseisen uit het SVBP 2012 (zie Hoofdstuk 3 Juridische aspecten) als leidraad gediend. In het onderstaande schema zijn de gebiedsbestemmingen opgesomd waarbij tevens de (sub)zone uit de Structuurvisie 2005 en/of geldende bestemmingsplan is aangegeven waarop de betreffende bestemming gebaseerd is.

Gebiedsbestemming (verbeelding) Structuurvisie / geldend bestemmingsplan
Agrarisch Multifunctioneel gebied
Agrarisch met waarden - Landschap Multifunctioneel gebied met landschapswaarden

• waardevol landschap HKS *

• Halse Rug

• waardevol open gebied
Agrarisch met waarden - Landschap en natuur Groen/blauwe raamwerk (EHS)

• EHS-verweving

• EHS-verbindingszone
Natuur Groen/blauwe raamwerk

• EHS-natuur

*Waardevol landschap Hummelo, Keppel, Slangenburg

De precieze begrenzing van de bestemmingen is afgestemd op de in het gebied aanwezige waarden.

Agrarisch gebied

Deze bestemming omvat de gronden die in de Structuurvisie behoren tot het multifunctionele gebied en geen specifieke waardevolle landschappelijke en/of natuurwaarden bezitten. In deze bestemming staat het functioneren van de landbouw voorop, waarbij wel zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige (kleinschalige) landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Agrarisch gebied met waarden - Landschap

Onder deze bestemming vallen de gebieden die in de Structuurvisie als multifunctioneel gebied zijn aangemerkt en waar tevens sprake is van specifieke landschapswaarden. Onder deze bestemming valt het open essencomplex ten westen van Zelhem, de gronden die deel uitmaken van het waardevolle landschap Hummelo, Keppel en Slangenburg en het gebied de Halse Rug waar sprake is van aardkundige waarden en een waardevolle historische verkaveling.

Ook in deze bestemming wordt ruimte geboden voor verdere ontwikkeling van de aanwezige agrarische bedrijven. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden. Het vestigen van agrarische bedrijven op nieuwe locaties is - gelet op de aanwezige landschapswaarden - in deze bestemming uitgesloten. Mocht nieuwvestiging toch aan de orde zijn dan dient hiervoor een afzonderlijk bestemmingsplan te worden opgesteld.

Agrarisch gebied met waarden - Landschap en natuur

Deze bestemming omvat de gronden die deel uitmaken van het groen/blauwe raamwerk c.q. het Groene natuurnetwerk (GNN) en die nog in agrarisch gebruik zijn. Voor deze bestemming geldt een beleid waarin aan natuur, landschap en cultuurhistorie en landbouw gelijke waarde wordt toegekend.

Bos / Natuur

De bestaande bos- en natuurgebieden worden apart bestemd als 'Bos' of 'Natuur'. De bestemming 'Natuur' bestaat uit de gebieden die zijn aangewezen als Groene natuurnetwerk (GNN). Alle bossen zijn bestemd als 'Bos'. De meeste bos- en natuurgebieden hebben een meervoudige functie, te weten een natuurfunctie, een economische functie (houtproductie) en een recreatieve functie. De regeling voor deze bestemmingen is daarom dusdanig geredigeerd dat bos- en/of natuurbeheer in combinatie met extensieve recreatie en houtproductie mogelijk is.

De zonering in gebiedsbestemmingen werkt door in het bestemmingsplan via de regels ten aanzien van bouwen en gebruik en het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. Deze regels zijn afgestemd op de aanwezige waarden. Een belangrijk instrument om de gewenste bescherming van de aanwezige waarden te bewerkstelligen is het stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden (het vroegere aanlegvergunningenstelsel). Doel van dit stelsel is het voorkomen dat specifieke waarden die een gebied herbergt als gevolg van bepaalde activiteiten onevenredig worden geschaad. Omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden worden opgenomen ter bescherming van onder meer de volgende waarden:

  • landschapswaarden (openheid, historische verkaveling, kleinschalige landschapselementen, essen, rivierduinen met microreliëf);
  • natuurwaarden (die voor een groot deel samenhangen met de waterhuishouding);
  • aardkundige waarden.
2.4.12.3 Natuur, landschap en cultuurhistorie     

Op 25 juni 2009 heeft de raad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP krijgt verdere uitwerking in de gemeentelijke structuurvisie voor het buitengebied.

2.4.12.4 Wonen     

Bestaande burgerwoningen in het buitengebied - die volgens het geldende planologische kader als woning worden gezien - krijgen een positieve bestemming. Om een verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan worden de inhoud c.q. de oppervlakte van de woningen en de bijgebouwen aan een maximum gebonden. De mogelijkheid bestaat om binnen zekere grenzen de bestaande bebouwing te vervangen door nieuwbouw. De woonfunctie kan ook gecombineerd worden met een kleinschalige bedrijfsactiviteit in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep.

Bestaande woningen

De bestemmingsvlakken voor woondoeleinden worden conform de feitelijke situatie op basis van de luchtfoto en digitale ondergrond toegekend, waarbij wordt gelet op een logische begrenzing conform eigendom en fysieke elementen, zoals sloten en wegen. Schapen- en paardenweitjes worden als agrarisch gebied beschouwd en ook als zodanig bestemd.

De toegestane maatvoering voor burgerwoningen is 750 m3. Voor het bepalen van de inhoud (‘wijze van meten’) wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, waarbij voor de definities hiervan wordt aangesloten op de landelijke norm NEN2580.

Indien de inhoud van een woning reeds groter is, is de bestaande inhoud de maximaal toelaatbare maat. Herbouw van een woning op een andere locatie is alleen toegestaan mits de woning niet dichter bij de weg wordt gesitueerd, herbouw plaatsvindt in de bestaande bouwwijze en op een afstand van maximaal 20 m van de bestaande fundering. Het bevoegd gezag kan hier onder voorwaarden van afwijken door het verlenen van een omgevingsvergunning. Één van die voorwaarden is dat uit onderzoek zal moeten blijken dat voldaan wordt aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde normen ten aanzien van de geluidbelasting op de gevel. Indien niet aan deze normen voldaan kan worden en het toch gewenst is op die locatie de woning te herbouwen, zal de procedure voor een buitenplanse omgeving gevolgd moeten worden, omdat een ontheffing van de Wet geluidhinder (hogere grenswaarde) noodzakelijk is.

Toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw wordt niet toegestaan, tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling van functieverandering bij bedrijfsbeëindiging, waarbij geldt dat een toename van de woningvoorraad moet passen in het kwalitatief woningbouwprogramma c.q. de gemeentelijke Woonvisie.

Bijgebouwen

Bij burgerwoningen zijn bijbehorende bouwwerken, uitsluitend in de vorm van bijgebouwen, toegestaan tot een maximum oppervlak van 100 m2. Ook bij een gesplitste woning is 100 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Indien de bestaande oppervlakte van een bestaand bijgebouw groter is dan deze maat is de bestaande oppervlakte de maximaal toelaatbare maat. Vaak zijn deze bijgebouwen voormalige stallen en schuren.

Bij nieuw- en/of herbouw van bijgebouwen geldt een sloopbonus regeling. Bij sloop van bebouwing kan middels een omgevingsvergunning voor afwijken 20% worden teruggebouwd tot een maximum van 375 m2. Eventueel nieuw op te richten bebouwing dient binnen het bestemmingsvlak zo dicht mogelijk tegen de bestaande bebouwing te worden gesitueerd, met een maximale afstand van 20 m tot de woning. Zowel bij een agrarische bedrijfswoning als een burgerwoning wordt een hooiberg toegestaan.

Paardenbakken

Ook bij burgerwoningen is de aanleg van een paardenbak mogelijk. Oprichting van een paardenbak buiten het bestemmingsvlak kan enkel op basis van een omgevingsvergunning voor afwijken worden gerealiseerd, waarbij eisen worden gesteld aan de maatvoering, afstand tot omliggende objecten, verlichting, omzetting bodemgebruik en plaatsing van hekwerk.

Woningsplitsing

Bij de inventarisatie van de huidige situatie is het geldende bestemmingsplan en het bouwvergunningsdossier maatgevend voor de bestemming van 1 dubbelbewoonde burgerwoning of 2 burgerwoningen in 1 woongebouw. Een woning die volgens de verleende bouwvergunningen een interne verbinding dient te hebben, is dus als 1 woning in het bestemmingsplan opgenomen.

Bij een dubbelbewoonde woning is inwoning mogelijk. Hierbij kan gedacht worden aan mantelzorg. Separate verkoop van een deel van de woning is in dergelijke gevallen niet verstandig. Planologisch blijft het namelijk één burgerwoning.

Aan huis verbonden beroepen

Binnen de woonfunctie bestaat ruimte voor het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep. Hierbij geldt wel een aantal randvoorwaarden die moeten garanderen dat de woonfunctie de hoofdfunctie blijft:

  • Het aan-huis-verbonden beroep dient door de bewoner te worden uitgeoefend;
  • Het grondgebruik voor aan-huis-verbonden beroepen mag maximaal 50 m2 en maximaal 40% van het totale vloeroppervlak van de woning bedragen.

Mantelzorg

Vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt is er een toenemende behoefte aan mogelijkheden voor huisvesting van zorgbehoevende familieleden, een gehandicapt kind of rustende boer. Mantelzorg is daarom in het gehele buitengebied toegestaan, ongeacht of dit bij een burgerwoning of een (agrarisch) bedrijf is, maar niet in bijbehorende bouwwerken. De toegestane omvang van zowel burger- als agrarische dienstwoningen in het buitengebied is 750 m³ om mantelzorg in de woningen mogelijk te maken. Een grotere inhoudsmaat ten behoeve van mantelzorg wordt daarom niet toegestaan.

Permanente bewoning recreatiewoningen

Omzetting van een recreatiewoning in een burger- of bedrijfswoning is niet toegestaan.

Illegale bewoning

Wanneer sprake is van illegale bewoning van bijvoorbeeld vrijstaande bijgebouwen en recreatiewoningen is bij het bestemmen van de situatie het volgende uitgangspunt gehanteerd:

  • de huidige illegale bewoning van vrijstaande bijgebouwen/recreatiewoningen is niet positief bestemd;
  • de illegale woonsituaties worden bestuursrechtelijk gehandhaafd.

Daarnaast zijn er diverse overgangsrechtsituaties van bewoning en recreatieve bewoning bekend. Dit zijn situaties, waarvan in 1997 en 1998 is geconstateerd dat deze al aanwezig waren voordat het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied in 1988 ter visie werd gelegd. Uit jurisprudentie volgt dat deze situaties niet meer handhaafbaar zijn. De gemeente is bereid deze gevallen in te passen, mits voldaan wordt aan het Bouwbesluit ten aanzien van bestaande bouw. Deze beoordeling zal op locatie plaatsvinden voordat het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie wordt gelegd.

2.4.12.5 Landgoederen     

Bestaande landgoederen

De beleidsruimte die binnen landgoederen wordt geboden, is gebaseerd op de doelstelling om landschap, natuur en cultuurhistorie in onderlinge samenhang te behouden en herstellen. Om dit mogelijk te maken, is functieverandering soms noodzakelijk voor de exploitatie van het landgoed. In gebieden waar het "ja, mits"- dan wel "nee, tenzij"-beleid geldt, moet de ontwikkeling bijdragen aan, respectievelijk geen significante aantasting vormen van de daar voorkomende kernkwaliteiten.

Voor bestaande landgoederen is het gewenst om nieuwe economische dragers voor de instandhouding van de landgoederen, de gebouwen en het bijbehorende landgoederenlandschap te vinden. Dergelijke nieuwe functies mogen niet leiden tot ongewenste invloeden op het landschap.

Op basis van een wijzigingsplan kan functieverandering binnen het bestaande landgoed plaatsvinden. De basis daarvoor is een visie op het gehele landgoed. Binnen bestaande landgoedbebouwing is omvorming mogelijk naar wonen, hotel of conferentieoord. Daarnaast zijn ook nevenfuncties mogelijk. Het gaat dan om gedeeltelijke functieverandering van bestaande landgoederen naar kantoren, andere verblijfs- en dagrecreatievormen (recreatiewoning, recreatieappartement, B&B, groepsaccommodaties, restaurant of tearoom) en sociaal-culturele functies. Daarvoor mag maximaal 40% van de bebouwing worden benut, waarbij het overige deel voor bewoning wordt benut.

Uit de integrale visie op het landgoed moet blijken dat het initiatief ruimtelijk en planologisch goed inpasbaar is. Naast de ruimtelijke meerwaarde moet aangetoond worden dat verkeer en parkeren goed wordt opgelost en dat omliggende functies geen onevenredige beperkingen ondervinden.

Nieuwe landgoederen

Daarnaast is de ontwikkeling van 'nieuwe landgoederen' mogelijk overeenkomstig het bij raadsbesluit van 18 mei 2006 vastgestelde gemeentelijk beleid voor nieuwe landgoederen. Onder een nieuw landgoed wordt verstaan een openbaar toegankelijk bos- en/of natuurcomplex (al dan niet met overige gronden) met daarin een woongebouw van allure met maximaal 3 wooneenheden en een minimale omvang van het nieuwe bos of natuurgebied van 10 ha. Gezien de aard en omvang van dergelijke ontwikkelingen biedt het bestemmingsplan hiervoor geen rechtstreekse mogelijkheden. Een nieuw landgoed kan alleen op basis van een herziening van het bestemmingsplan. Binnen dit plangebied is alleen het gebied ten oosten van Baak aangemerkt als zoekgebied voor nieuwe landgoederen.

2.4.12.6 Recreatie en toerisme     

De gemeente Bronckhorst heeft een sterke recreatieve structuur en de potentie voor verdergaande verbetering van zowel dag- als verblijfsrecreatie. Het gemeentelijke recreatiebeleidvoetnoot: Op 25 oktober 2007 heeft de raad van Bronckhorst de gemeentelijke Recreatienota vastgesteld. Bij de opstelling van het bestemmingsplan buitengebied is aangesloten bij de hierin opgenomen beleidsuitgangspunten. biedt hiervoor veel ruimte, in afstemming met de landschappelijke waarden. Voor de verschillende vormen van recreatie geldt het volgende beleid.



Zonering

In het bestemmingsplan is - conform de gemeentelijke Recreatienota - een recreatieve zonering opgenomen die met name van betekenis is voor het beleid ten aanzien van minicampings (zie hieronder). Er zijn drie zones:

  1. Zone restrictief beleid: stille zones c.q. de bestaande bos- en natuur gebieden waar behoud van rust prioriteit heeft;
  2. Ontwikkelingszone: randen rondom de bestaande bos- en natuurgebieden waar bestaande concentraties van recreatie selectief versterkt kunnen worden;
  3. Overig landelijk gebied: zone met een terughoudend beleid.



Nieuwe minicampings zijn in zone 1 (EHS) ter bescherming van de aanwezige rust en natuur- en landschapswaarden uitgesloten. In zoen 2 bestaan wel mogelijkheden voor nieuwe minicampings bij agrarische bedrijven en bij voormalige agrarische bedrijven. Het maximaal aantal toegestane kampeerplaatsen is daarbij vastgelegd op 30. Binnen dit maximum aantal zijn 3 trekkershutten toegestaan.



In zone 3 geldt een meer terughoudend beleid dan in zone 2. Nieuwe minicampings zin hier - bij agrarische bedrijven en/of voormalige agrarische bedrijven (die in het geldende bestemmingsplan nog een agrarische bestemming hebben) - mogelijk mits ze in de directe nabijheid liggen van een bewegwijzerde recreatieve route gelegen zijn. Zo wordt voorkomen dat er een ongebreidelde groei plaatsvindt van campings plaatsvindt in een gebied waar recreatie toch vooral een mede gebruiksfunctie is. Ook in deze zone geldt als maximum voor het aantal kampeerplaatsen van 30.



Recreatie als nevenactiviteit / hoofdactiviteit

Voor recreatie als nevenactiviteit en/of hoofdactiviteit (na functieverandering van een agrarisch bedrijf) geldt het beleid voor respectievelijk nevenactiviteiten zoals reeds is uiteengezet in paragraaf 'Landbouw' en functieverandering zoals wordt beschreven in paragraaf 'Hergebruik agrarische bebouwing' mogelijkheden worden bepaald door de gebiedszonering c.q. verschillen per gebiedsbestemming.



Recreatiewoningen en -appartementen

Bestaande legale recreatiewoningen en -appartementen hebben een recreatieve bestemming, gericht op verblijf. Permanent wonen wordt daarbij niet toegestaan. De maximale omvang van een recreatiewoning bedraagt 300 m3 (inclusief kelderrruimte) en 75 m2 of de bestaande omvang indien deze ruimer is. De maximale oppervlakte van chalets en stacaravans bedraagt 55 m². Deze maten zijn inclusief bijbehorende bouwwerken zoals bijgebouwen en overkappingen.

Voor maatvoeringseisen is aangesloten op de in de provinciale Structuurvisie 2005 verwoorde uitgangspunten. Dit onderscheid is op dezelfde wijze verwoord in het bestemmingsplan Buitengebied 2005 Hengelo/Vorden alsmede de nota Ruimtelijk Recreatiebeleid c.q. de Recreatienota en wordt in dit plan eveneens gehanteerd.

In de regels wordt onderscheid gemaakt tussen mobiele kampeermiddelen en stacaravans, die niet regelmatig en op normale wijze op verkeerswegen worden voortbewogen. Het gebruik van stacaravans en chalets is vergelijkbaar en geeft geen verschil in recreatiedruk. Omdat de maatvoeringseisen voor stacaravans en chalets overeenkomen, zijn deze twee categorieën planologisch gezien uitwisselbaar op de recreatieparken. Nieuwe chalets zijn dus mogelijk c.q. uitwisselbaar bij omvorming van stacaravanstandplaatsen.



Campings

Bestaande campings met meer dan 30 standplaatsen zijn specifiek bestemd. Oprichting van nieuwe grote campings is vanwege de landschappelijke kwetsbaarheid en recreatieve potenties bij agrarische bedrijven in het bestemmingsplan niet direct of indirect toegestaan. Voor eventuele verzoeken voor nieuwvestiging van een grote camping zal een afzonderlijke, specifieke bestemmingsplanprocedure gevolgd dienen te worden, waarmee een regeling op maat kan worden opgesteld. Daarbij dient dan onder meer een marktonderzoek overlegd te worden.



Evenementenregeling

Naar aanleiding van een juridische uitspraak over een zaak in de Diepenheim dienen jaarlijks terugkerende evenementen op niet-openbare terreinen bestemd te worden in het bestemmingsplan. Om deze reden worden evenementen die langer dan 5 dagen duren (incl. opbouwen en afbreken) in het bestemmingsplan geregeld. Als locaties in of nabij het Groene natuurnetwerk (GNN) of in het waardevol landschap liggen, is het ongewenst om uitbreiding van de evenementenactiviteiten toe te staan. In de regels is dan opgenomen dat deze evenementen zonder uitbreiding naar meer evenementen op deze terreinen mogen blijven voortbestaan.

Hoofdstuk 3 Juridische aspecten     

3.1 Algemeen     

Dit bestemmingsplan is opgesteld overeenkomstig de RO Standaarden zoals opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het plan voldoet aan het Informatiemodel ruimtelijke ordening 2012 (IMRO2012), de Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012), het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening Planteksten 2012 (IMROPT2012), de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012) en de Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart (PRABPK2012).

Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding tezamen.

Uitgangspunt voor de regels en de verbeelding is het handboek van de gemeente Bronckhorst, welke gebaseerd is op de SVBP2012 en de PRABPK2012. Daarnaast bevat het plan regels die de Wet ruimtelijke ordening voorschrijft. De basis voor de verbeelding is de Grootschalige basiskaart Nederland (GBKN) en de Kadastrale kaart (LKI)

3.2 Opbouw regels     

3.2.1 Algemeen     

De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 bevat Inleidende regels waarin de onderdelen Begrippen en Wijze van meten zijn opgenomen. Deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.

Hoofdstuk 2 bevat Bestemmingsregels waarin de diverse bestemmingen zijn opgenomen. De artikelen met de bestemmingen hebben een min of meer vaste opbouw.

Hoofdstuk 3 bevat Algemene regels, die van algemeen belang zijn voor het plan.

Hoofdstuk 4 bevat tenslotte Overgangs- en slotregels.

3.2.2 Functies     

Dit bestemmingsplan beoogt een drietal recreatiewoningen te laten vervallen en in plaats daarvan 3 woningen terug te bouwen. Twee recreatiewoningen worden verplaatst naar de Varsselseweg 45. De vrijkomende gronden krijgen een nieuwe bestemming, te weten 'Natuur'. Andere nieuwe functies worden niet toegevoegd.

3.2.3 Bebouwing     

In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen (hoofd)gebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen, aan- en uitbouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de situering en maatvoering van bouwwerken is het belangrijk dat er regels zijn opgenomen met betrekking tot:

Bouwwijze

Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande en/of nieuwe situatie op een goede manier dient te worden gereguleerd.

Goot- en bouwhoogte

De maatvoering voor de goot- en bouwhoogte wordt in de bouwregels van de verschillende bestemmingen nader geregeld.

Situering gebouwen

De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.

3.3 Inhoud regels     

3.3.1 Inleidende regels     

In Hoofdstuk 1 van de planregels zijn de volgende Inleidende regels opgenomen.

3.3.1.1 Begrippen     

In Artikel 1 Begrippen is een aantal begrippen nader gedefinieerd teneinde onduidelijkheid te voorkomen. Voor een gedeelte van de begrippen is aansluiting gezocht bij de SVBP2012, de rest is afkomstig uit het handboek Bronckhorst en zijn in de gemeente gebruikelijke definities.

3.3.1.2 Wijze van meten     

In Artikel 2 Wijze van meten is aangegeven op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels.

3.3.2 Bestemmingsregels     

In Hoofdstuk 2 van de planregels zijn de volgende Bestemmingsregels opgenomen.

3.3.2.1 Agrarisch     

In de agrarische bestemmingen zijn gronden in hoofdzaak de gronden buiten de kernen opgenomen die een agrarische functie hebben. Het verschil tussen deze bestemmingen is voornamelijk dat er meer of minder ruimte is voor neven- en vervolgfuncties bij de agrarische bedrijven.

3.3.2.2 Bos     

Bos is overeenkomstig de vigerende bestemming bestemd en opgenomen in art. 6 Bos. Ter bescherming van de natuurwaarden van deze gronden is een omgevingsvergunningstelsel in de regels opgenomen.

3.3.2.3 Natuur     

De bescherming van de natuurwaarden van deze gronden is nader geregeld in een omgevingsvergunningstelsel van art. 7 Natuur in de regels opgenomen.

3.3.2.4 Recreatie     

In deze bestemming die nader verfijnd is tot 'Recreatie - Recreatiewoning' is een regeling opgenomen voor recreatiewoningen en stacaravans met bijbehorende bouwwerken.

3.3.2.5 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht onder de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie wordt tevens verwezen naar paragraaf 1.1.2.3 Planbeschrijving.

De woning, al dan niet met aan- en uitbouwen kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bestemmingsvlak'.

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbondenen bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde . Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

3.3.2.6 Archeologie     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Artikel 10 Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Artikel 11 Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een middelhoge verwachtingswaarde en . Artikel 12 Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde. Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

3.3.3 Algemene regels     

In Hoofdstuk 3 van de planregels zijn de volgende Algemene regels opgenomen.

3.3.3.1 Anti-dubbeltelregel     

In Artikel 13 Anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is rechtstreeks overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.

3.3.3.2 Algemene bouwregels     

In Artikel 14 Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen waarmee grotere maatvoeringen die afwijken van het plan en die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig zijn, zijn toegelaten.

3.3.3.3 Algemene gebruiksregels     

In Artikel 15 Algemene gebruiksregels zijn activiteiten opgenomen die voor alle bestemmingen als strijdig gebruik worden aangemerkt. Het gaat onder meer om het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming. Hierdoor wordt voorkomen dat opslag ontstaat van materialen die een negatieve uitstraling heeft op de omgeving. Voorzover opslag plaatsvindt in het kader van de bedrijfsvoering is deze toegestaan. Ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. Hiermee wordt voorkomen dat gebouwen in de kom worden aangewend voor prostitutiedoeleinden. Het gebruik van een recreatiewoning of een bijbehorend ten behoeve van permanente bewoning. En het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'. Dit laatste is aan een voorwaardelijke verplichting gekoppeld waarbij een gewijzigd gebruik binnen een bestemming pas mag plaatsvinden als is voldaan aan de beleidsregels.

3.3.3.4 Algemene aanduidingsregels     

Algemene aanduidingsregels kent diverse algemene aanduidingsregels.

Er zijn zonevoorschriften opgenomen ter bescherming van hindergevoelige en kwetsbare objecten (zoals woningen, verzorgingshuizen en scholen) in de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie' en 'veiligheidszone - lpg'. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken door middel van een omgevingsvergunning na een besluit hogere grenswaarde geluidhinder, danwel als wordt voldaan aan de wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid.

Met de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden aldaar mede bestemd voor de bescherming van de drinkwaterkwaliteit. Hier gelden beperkingen ten aanzien van het bouwen en het gebruik.

[Met de 'overige zone - gemengde functies' wordt geregeld dat ter plaatse van die aanduiding, behalve de daar aanwezige bestemmingen, tevens kleinschalige bedrijven, detailhandel, dienstverlening en kantoren zijn toegelaten. Deze regeling is specifiek opgenomen voor het dorpscentrum van Steenderen. Daar zijn centrumfuncties beperkt aanwezig, maar biedt deze regeling wel de nodige flexibiliteit.]

3.3.3.5 Algemene wijzigingsregels     

In Artikel 17 Algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen om het legaal aanwezige dubbele bewoning toe te staan of te beperken.

3.3.4 Overgangs- en slotregels     

In Hoofdstuk 4 van de planregels zijn de volgende Overgangs- en slotregels opgenomen.

3.3.4.1 Overgangsrecht     

In Artikel 18 Overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen.

3.3.4.2 Slotregel     

Artikel 19 Slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.

Bijlagen bij de toelichting     

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

Het bestemmingsplan Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo met identificatienummer NL.IMRO.1876.BP01066-VG01 van de gemeente Bronckhorst.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw is aangebouwd, dat architectonisch ondergeschikt is aan, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.

1.4 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens     

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aan huis verbonden activiteit     

Een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

1.7 Aan huis verbonden beroep     

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen prostitutie, dat door zijn beperkte omvang in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.8 Aan huis verbonden bedrijf     

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Daaronder niet begrepen prostitutie of een seksinrichting.

1.9 Aardkundige waarden     

De aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen, zoals steilranden en bodemtypen.

1.10 Achtererfgebied     

erf achter de lijn die het doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.11 Agrarisch bedrijf     

Een bedrijf met agrarische doeleinden.

1.12 Agrarische activiteiten     

Activiteiten die gericht zijn op het bedrijfsmatig danwel hobbymatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen.

1.13 Agrarische gebouwen     

Gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden, niet zijnde een bedrijfswoning.

1.14 Algemene wet bestuursrecht     

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.15 Archeologisch deskundige     

De regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

1.16 Archeologisch onderzoek     

Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 MW en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.17 Archeologische verwachting     

De aan een gebied toegekende hoge, middelmatige of lage verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.18 Archeologische waarden     

De aan gebieden toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.19 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.20 Bebouwingspercentage     

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.21 Bed & breakfast     

Een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie, waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen kookgelegenheid hebben en waarbij er een gemeenschappelijke ruimte is waar de gasten een door de ondernemer bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen.

1.22 Bedrijfswoning     

Een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

1.23 Begane grondbouwlaag     

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.24 Bestaand     

  1. Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  2. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerkwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.25 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.26 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.27 Bevi-inrichtingen     

Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.28 Bijgebouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw, dat ten dienste staat van een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet aan het hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of garagebox en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.29 Bijbehorend bouwwerk     

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.30 Boomkwekerij     

Het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters.

1.31 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.32 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.33 Bouwperceel     

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.34 Bouwperceelgrens     

de grens van een bouwperceel.

1.35 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.36 Bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.37 Bouwwijze     

De wijze van bouwen van een woning, te onderscheiden in vrijstaande woningen.

1.38 Camperovernachtingsplaats     

Een parkeerplaats op particulier terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht met voorzieningen, welke een goede en stevige ondergrond biedt voor een kampeerauto (camper) en die gedurende een beperkt aantal nachten wordt gebruikt als verblijfsplaats.

1.39 Caravan     

Een niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte, niet zijnde een gebouw (waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto voortbewogen te worden;

1.40 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.

1.41 Detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten     

Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd.

1.42 Detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten     

Het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, als ondergeschikte nevenactiviteit, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.43 Detailhandel in volumineuze goederen     

detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.

1.44 Diepploegen     

Het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.

1.45 Erf     

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.46 Evenemententerrein     

Een terrein dat gebruikt wordt voor jaarlijks terugkerende één- of meerdaagse festiviteiten met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen en tijdelijke bouwwerken.

1.47 Extensief agrarisch grondgebruik     

Gebruik van grond als schraal grasland of graanakker (m.u.v. mais).

1.48 Extensief recreatief medegebruik     

Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, paardrijden, boerengolf en fietsen.

1.49 Extensiveringsgebied     

Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

1.50 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.51 Geluidzoneringsplichtige inrichtingen     

Bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer (Staatsblad 1993, 50).

1.52 Glastuinbouwbedrijf     

Een agrarisch bedrijf waarbij het telen van gewassen in kassen plaatsvindt.

1.53 Groepsaccommodatie     

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan of trekkershut zijnde, bestemd om uitsluitend door minimaal 12 personen, die het hoofdverblijf elders hebben, gedurende een gedeelte van het jaar uitsluitend te worden bewoond in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie.

1.54 Grondgebonden agrarisch bedrijf     

Agrarische bedrijfsvoering gericht op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond, bijvoorbeeld melkveehouderijen en akkerbouw.

1.55 Hoofdgebouw     

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. In het geval er in bestaande situaties volgens de geldende bestemming sprake is van één of meerdere (bedrijfs)woningen op een bouwperceel, wordt het gebouw waarbinnen deze (bedrijfs)woning(en) is/zijn gesitueerd als hoofdgebouw aangemerkt.

1.56 Huishouden     

Eén of meer personen die sociaal en economisch een eenheid vormen.

1.57 Intensieve veehouderij     

Een agrarisch bedrijf of dat deel van een agrarisch bedrijf waar tenminste 250 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak aanwezig is dat gebruikt wordt als veehouderij volgens de Wet milieubeheer, waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch gehouden worden (conform artikel 2 van de landbouwkwaliteitswet) en waar geen dieren gehouden worden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

1.58 Internetverkoop     

Een specifieke vorm van detailhandel waarbij:

  1. de te verkopen goederen uitsluitend via internet worden getoond en aangeboden;
  2. de transactie via internet tot stand komt;
  3. opslag van goederen plaatsvindt (op de bedrijfslocatie zelf of elders);
  4. op de bedrijfslocatie geen sprake is van enige fysieke vorm van uitstalling ter verkoop, een showroom, of van verkoop, betaling en/of het afhalen van goederen én
  5. de uitlevering van verkochte goederen aan kopers geschiedt per post of bezorgdienst.

1.59 Jaarplaats     

dat terreingedeelte dat bestemd is voor het plaatsen van een kampeermiddel dat gedurende het hele jaar aanwezig mag zijn, alsmede voor exclusief gebruik door de gebruikers van dat kampeermiddel.

1.60 Kampeermiddelen     

  1. Een tent, tentwagen, een kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde.

1.61 Kampeerseizoen     

De periode tussen 15 maart en 31 oktober.

1.62 Kap     

Een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°.

1.63 Kelder     

Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein.

1.64 Kleinschalig horecavoorziening     

Een horecavoorziening, die uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen.

1.65 Kleinschalige kampeerterreinen     

Een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van minimaal 16 en maximaal 30 mobiele kampeervoertuigen en/of tenten, niet zijnde een minicamping.

1.66 Landschappelijke waarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.67 Loon(werk)bedrijf     

Een bedrijf dat – voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen – diensten verleent aan agrarische bedrijven, hetzij in verband met de bodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden waarbij beperkte grondopslag op het bedrijfsterrein mogelijk is.

1.68 Luifel     

Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund.

1.69 Mestopslagplaats (gezamenlijk)     

Een bouwwerk waar mestopslag plaatsvindt van één of meerdere agarische bedrijven;

1.70 Minicamping     

Een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van maximaal 15 mobiele kampeervoertuigen en/of tenten.

1.71 Mobiele kampeervoertuigen     

Een tentwagen, een kampeerauto of een caravan (geen stacaravan zijnde), die uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt wordt uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.72 Natte natuur     

Bos en natuurterreinen waar de kwaliteit van deze terreinen vraagt om een goede grondwatersituatie en eventueel een kwelstroom van voldoende mate van kwaliteit.

1.73 Natuurwaarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.74 Nevenfunctie     

Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel.

1.75 Niet-zelfstandig kantoor     

Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

1.76 Nutsvoorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.77 Omgevingsvergunning     

Een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.78 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

Een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening.

1.79 Omschakeling naar een intensieve veehouderij     

Het geheel of gedeeltelijk omzetten en/of uitbreiden van een grondgebonden agrarisch bedrijf in een intensieve veehouderij.

1.80 Ondergeschikte bouwdelen     

Bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen, dakoverstekken (< 1 m), balkons (< 5 m2), erkers (<7 m3), dakkapellen (< 7 m3) en liftschachten.

1.81 Ondergronds     

Onder peil.

1.82 Onderkomens     

Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief buitenverblijf voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.

1.83 Overig bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.84 Overkapping     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand.

1.85 Pand     

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.86 Peil     

  1. Voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 20 m van die weg is gelegen: maximaal 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein;
  3. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein.

1.87 Pergola     

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een open constructie van twee of meer palen, die onderling met elkaar verbonden zijn.

1.88 Permanente bewoning     

Gebruik van (een deel van) een gebouw als hoofdwoonverblijf.

1.89 Plat dak     

Een dak met een dakhelling van minder dan 15º.

1.90 Reconstructieplan     

Het reconstructieplan Achterhoek en Liemers, zoals bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;

1.91 Reconstructiewet concentratiegebieden     

Wet van 31 januari 2002, houdende regels inzake de reconstructie van de concentratiegebieden;

1.92 Recreatieve voorziening:     

Een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige voorziening met een dagrecreatief karakter, zoals zwembad of tennisbaan.

1.93 Recreatieappartement     

Een recreatiewoning deel uitmakend van één gebouw waarin meerdere recreatiewoningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.

1.94 Recreatiewoning     

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden. Hieronder wordt tevens verstaan een chalet en een vakantiehuisje.

1.95 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.96 (sleuf)silo     

Een bouwwerk – geen mestopslagplaats zijnde – voor het opslaan van agrarische producten ten behoeve van de veehouderij en/of kuilvoer.

1.97 Stacaravan     

Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.98 Teeltondersteunende kassen     

Kassen, waarin producten worden geteeld die een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale agrarische bedrijfsactiviteit.

1.99 Teeltondersteunende voorzieningen     

Ondersteunende voorzieningen ten behoeve van vollegronds groente-, fruit-, bloemen-, en boomteelt, te onderscheiden in de volgende categorieën:

  1. laag/tijdelijk:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolie en lage tunnels;
  2. laag/permanent:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;
  3. hoog/tijdelijk:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 m en maximaal 2 m. uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;
  4. hoog/permanent:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 en maximaal 3,50 m met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen;
  5. overig:

    vraatnetten, boomteelthekken

1.100 Trekkershut     

Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf zonder sanitaire voorzieningen.

1.101 Uitbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een als vergroting van het hoofdgebouw gebouwd gebouw, hetwelk door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is, maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw.

1.102 Verkoopvloeroppervlak     

De oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend gebruikt wordt voor het verkopen van producten, niet zijnde de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten.

1.103 Verwevingsgebied     

Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van een intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

1.104 Volwaardig agrarisch bedrijf     

Een agrarisch bedrijf met zodanig omvang en/of structuur dat redelijkerwijs verwacht mag worden, dan wel aantoonbaar is, dat tenminste één persoon een volledige dagtaak heeft met het beheer van het bedrijf, de verzorging van het vee en de bewerking van het land.

1.105 Voorerfgebied     

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

1.106 Voorgevel     

De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een , (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied.

1.107 Voorgevelrooilijn     

De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel).

1.108 Vrijstaande woning     

Een woning die geheel vrij staat ten opzichte van andere bebouwing.

1.109 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht     

Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.110 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979, Stb. 99, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder.

1.111 Wet milieubeheer     

Wet van 13 juni 1979, Stb. 442, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.112 Wet ruimtelijke ordening     

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 2006, 566, zoals gewijzigd bij de Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 271 (grondexploitatie), inclusief de door de Tweede Kamer op 1 januari 2008 aanvaarde wijzigingen in het kader van de Invoeringswet (TK 2007-2008, 30 938, A).

1.113 Woning     

Een complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.114 Woningwet     

Wet van 29 augustus 1991 , (Stb. 1991, nr. 439), tot herziening van de Woningwet, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens:     

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.

2.2 De dakhelling:     

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 De goothoogte van een bouwwerk:     

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 De inhoud van een bouwwerk:     

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 De bouwhoogte van een bouwwerk:     

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 De oppervlakte van een bouwwerk:     

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 De bruto vloeroppervlakte (bvo)     

De oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Agrarisch     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  2. extensief recreatief medegebruik;
  3. waterhuishoudkundige doeleinden;
  4. nutsvoorzieningen.
3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1:

a Extensief recreatief medegebruik     

De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

b Teeltondersteunende voorzieningen     

Voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende bepalingen:

  1. Uitsluitend bij grondgebonden agrarische bedrijfsvoering zijn teeltondersteunende voorzieningen toegestaan.
  2. Lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegelaten.
  3. Lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegelaten en met een maximale oppervlakte van 1000 m2.
  4. Hoge permanente/tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegelaten en met een gezamenlijke maximale oppervlakte van 500 m².
c Glastuinbouw     

Omschakeling naar of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf is niet toegestaan.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

3.2.2 Maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. het plaatsen van perceelafscheidingen tot een maximale hoogte van 1 m;
  3. het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m;
  4. een paardenbak is niet toegestaan.

3.3 Afwijken van de bouwregels     

3.3.1 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in 3.1.
3.3.2 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1, teneinde buiten het bouwvlak een schuilgelegenheid toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De schuilgelegenheid is uitsluitend bestemd voor mens en dier.
  2. De bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 30 m².
  3. De hoogte bedraagt maximaal 4 m.
  4. Het aantal schuilgelegenheden bedraagt maximaal 1 per hectare.
  5. De bebouwing kan, gezien de specifieke functie, niet binnen het bouwvlak worden geplaatst.
  6. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1.
3.3.3 Omgevingsvergunning sleufsilo buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a., teneinde buiten het bouwvlak een sleufsilo toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De sleufsilo wordt direct aangrenzend aan het bouwvlak gebouwd.
  2. De hoogte bedraagt maximaal 2 m.
  3. De oppervlakte bedraagt maximaal 500 m².
  4. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  5. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1.
3.3.4 Omgevingsvergunning paardenbak buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder d, teneinde buiten het bouwvlak een paardenbak toe te staan ten behoeve van deze bestemming dan wel de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

Situering binnen het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen' is redelijkerwijs niet mogelijk.

Indien een paardenbak ten behoeve van deze bestemming wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend aan het eigen bouwvlak opgericht; indien een paardenbak ten behoeve van de bestemming 'Wonen' wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend of binnen een afstand van 50 m van dat bestemmingsvlak 'Wonen' opgericht.

  1. De oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1500 m².
  2. De afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden bedraagt ten minste 50 m.
  3. De activiteit leidt niet tot extra (licht)hinder voor omwonenden.
  4. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
3.3.5 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, als opgenomen in 3.2, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten gevolge van eisen uit het Bouwbesluit;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten, met dien verstande dat niet mag worden afgeweken van de inhoudsmaat van bedrijfswoningen;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1;
  9. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere binnenplanse omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

3.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van hooibalen, al dan niet verpakt in folie, gedurende een periode langer dan 6 weken.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels     

3.5.1 Omgevingsvergunning opslaan hooibalen buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 ten behoeve van het opslaan van hooibalen buiten de aanduiding 'bouwvlak' gedurende een periode langer dan 6 weken, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de hooibalen worden direct grenzend aan de aanduiding 'bouwvlak' opgeslagen;
  2. de hoogte en oppervlakte bedragen respectievelijk maximaal 2 meter en 100 m²;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1;
  4. de opslag dient landschappelijk te worden ingepast.

3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

3.6.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding:
    1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
    2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
    3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
    4. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
  2. overig:
    1. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben.
3.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  4. waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
3.6.3 Voorwaarden     

De in 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan voor:

  1. de bodemstructuur, het bodemniveau en de waterhuishouding;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid     

3.7.1 Wijziging recreatieve route     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een aanduiding ten behoeve van een recreatieve route op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 3.1.

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden;
  2. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. waterhuishoudkundige doeleinden;
  5. nutsvoorzieningen.
4.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 4.1.1:

a Landschapswaarden     

De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden, zoals:

  1. waardevol landschap, bestaande uit het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en, in het oosten van het plangebied, het behoud van rivierduin met micro-reliëf;
  2. historische verkaveling, bestaande uit de instandhouding van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen, grote landschappelijke-esthetische en geomorfologische waarden en de recreatieve belevingswaarde en van het milieu van de natuurlijke leefgemeenschappen;
  3. instandhouding van aanwezige landschapselementen.
b Extensief recreatief medegebruik     

De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

4.2.2 Maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. het plaatsen van perceelafscheidingen tot een maximale hoogte van 1 m;
  3. het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m;
  4. een paardenbak is niet toegestaan.

4.3 Afwijken van de bouwregels     

4.3.1 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in 4.1.
4.3.2 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in4.2.1 teneinde buiten het bouwvlak een schuilgelegenheid toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De schuilgelegenheid is uitsluitend bestemd voor mens en dier.
  2. De bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 30 m².
  3. De hoogte bedraagt maximaal 4 m.
  4. Het aantal schuilgelegenheden bedraagt maximaal 1 per hectare.
  5. De bebouwing kan, gezien de specifieke functie, niet binnen het bouwvlak worden geplaatst.
  6. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1.
4.3.3 Omgevingsvergunning sleufsilo buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 onder a., teneinde buiten het bouwvlak een sleufsilo toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De sleufsilo wordt direct aangrenzend aan het bouwvlak gebouwd.
  2. De hoogte bedraagt maximaal 2 m.
  3. De oppervlakte bedraagt maximaal 500 m².
  4. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  5. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1.
4.3.4 Omgevingsvergunning paardenbak buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 onder d, teneinde buiten het bouwvlak een paardenbak toe te staan ten behoeve van deze bestemming dan wel de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Situering binnen het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen' is redelijkerwijs niet mogelijk.
  2. Indien een paardenbak ten behoeve van deze bestemming wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend aan het eigen bouwvlak opgericht; indien een paardenbak ten behoeve van de bestemming 'Wonen' wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend of binnen een afstand van 50 m van dat bestemmingsvlak 'Wonen' opgericht.
  3. De oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1500 m².
  4. De afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden bedraagt ten minste 50 m.
  5. De activiteit leidt niet tot extra (licht)hinder voor omwonenden.
  6. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
4.3.5 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, als opgenomen in 3.24.2, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/maten is noodzakelijk ten gevolge van eisen uit het Bouwbesluit;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten, met dien verstande dat niet mag worden afgeweken van de inhoudsmaat van bedrijfswoningen;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1;
  9. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

4.4 Specifieke gebruiksregels     

4.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van hooibalen, al dan niet verpakt in folie, gedurende een periode langer dan 6 weken.

4.5 Afwijken van de gebruiksregels     

4.5.1 Omgevingsvergunning opslaan hooibalen buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.4.1 ten behoeve van het opslaan van hooibalen buiten de aanduiding 'bouwvlak' gedurende een periode langer dan 6 weken, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de hooibalen worden direct grenzend aan de aanduiding 'bouwvlak' opgeslagen;
  2. de hoogte en oppervlakte bedragen respectievelijk maximaal 2 meter en 100 m²;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1;
  4. de opslag dient landschappelijk te worden ingepast.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

4.6.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen en het slaan van putten;
  4. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardigen groter dan 200 m2;
  6. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken;
  7. diepploegen;
  8. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
  9. het wijzigen van het verkavelingspatroon.
4.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 4.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  4. werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
4.6.3 Voorwaarden     

De in 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het historische verkavelingspatroon;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de overige aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid     

4.7.1 Wijziging recreatieve route     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een aanduiding ten behoeve van een recreatieve route op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1.

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschap en natuur     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;
  2. het behoud van landschapselementen;
  3. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  4. de uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, zoals weergegeven in de tabel a in 5.1.2 onder a en in Bijlage 1 Toegelaten functies;
  5. het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep;
  6. extensief recreatief medegebruik;
  7. waterhuishoudkundige doeleinden;
  8. nutsvoorzieningen.
5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 5.1.1:

a Agrarische bedrijven met bestaande nevenfuncties     

Ter plaatse van de in onderstaande tabel opgenomen aanduiding zijn de onder 'omschrijving' opgenomen functies toegestaan. Daarnaast dient voldaan te worden aan de overige bepalingen in de tabel, behorend bij de betreffende aanduiding:

Aanduiding Adres Omschrijving Maximaal toegestane oppervlakte in m2 Maximum aantal bedrijfswoningen, anders dan 1
sb-56 specifieke vorm van bedrijf - 56 Beunksteeg 2/2a en 4 Loonwerkbedrijf 4308 2

b Bouwvlak     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' zijn agrarische bedrijven toegestaan. Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan.

c Landschaps- en natuurwaarden     

De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden in de EHS, zoals:

  1. het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en, in het oosten van het plangebied, het behoud van rivierduin met micro-reliëf;
  2. instandhouding van aanwezige landschapselementen.
d Extensief recreatief medegebruik     

De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

e Nevenactiviteiten     

Maximaal 350 m² van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van nevenfuncties, met uitzondering van de categorie 'Verblijfsrecreatie', zoals bedoeld in Bijlage 1 mits:

  1. geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking;
  2. geen detailhandel plaatsvindt anders dan detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten tot een maximale oppervlakte van 25 m²;
  3. in afwijking van het bepaalde onder e geldt voor de categorie “Dagrecreatie” in Bijlage 1 voor catering, café, restaurant, eethuis, ijssalon, terras/ theetuin en theeschenkerij een maximale oppervlakte van 50 m²;
  4. niet meer dan 50% van de bebouwing wordt gebruikt;
  5. in afwijking van het bepaalde in het voorgaande onder e geldt voor de uitoefening van bestaande nevenfuncties bij agrarische bedrijven die een grotere oppervlakte beslaan dan de toegestane oppervlakte, dat deze uitsluitend zijn toegestaan bij agrarische bedrijven, zoals weergegeven in de tabel a Agrarische bedrijven met bestaande nevenfuncties in 5.1.2 onder a. De in de tabel a in 5.1.2 onder a opgenomen oppervlakte geldt als maximum.
f Intensieve veehouderij(tak)     

Een niet-grondgebonden veehouderij(tak) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'IV' Ten aanzien van een niet-grondgebonden intensieve veehouderij(tak) geldt het volgende:

  1. Agrarische bedrijven mogen maximaal 1 ha van het bouwvlak gebruiken voor een bestaande intensieve veehouderij(tak) of de hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderij(tak).
  2. In afwijking van het bepaalde onder 1. geldt, indien de bestaande oppervlakte van het deel van het bouwvlak dat gebruikt wordt voor de niet-grondgebonden veehouderij meer dan 1 ha bedraagt, deze oppervlakte met het bijbehorend aantal dierplaatsen als maximum.
g Teeltondersteunende voorzieningen     

Voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende bepalingen:

  1. Teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan in de EHS-verbindingszone, te weten ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning ehs verbindingszone'.
  2. Uitsluitend bij grondgebonden agrarische bedrijfsvoering zijn teeltondersteunende voorzieningen toegestaan.
  3. Lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegelaten.
  4. Lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegelaten en met een maximale oppervlakte van 1000 m2.
  5. Hoge permanente/tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegelaten en met een gezamenlijke maximale oppervlakte van 500 m².
h Glastuinbouw     

Omschakeling naar of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf is niet toegestaan.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Situering gebouwen     

Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het 'bouwvlak'.

5.2.3 Bedrijfswoning     

In afwijking van het bepaalde in 5.2.2 gelden voor bedrijfswoningen de volgende bepalingen:

  1. Binnen het 'bouwvlak' mag uitsluitend één bedrijfswoning worden opgericht, met dien verstande dat buiten het 'bouwvlak' uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' één bedrijfswoning mag worden opgericht. De bedrijfswoning mag uitsluitend worden gesitueerd in een hoofdgebouw.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a eerste zin, zijn, ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' uitsluitend het ter plaatse aangeduide aantal woningen toegestaan. De bedrijfswoningen kunnen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouw zijn gesitueerd; de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande situatie is normstellend. Voor vermindering van het aantal wooneenheden binnen één hoofdgebouw dient de wijzigingsprocedure als bedoeld in 17.1 te worden gevolgd.
  3. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m.
  4. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
  5. De inhoud van het hoofdgebouw (tezamen met aan- en uitbouwen), waarbinnen de bedrijfswoning(en) is/zijn gesitueerd, bedraagt maximaal 750 m³; indien en voorzover het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan een grotere inhoud heeft dan 750 m³, geldt de grotere inhoud als maximum. Uitbreiding van het hoofdgebouw ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten, anders dan wonen, is mogelijk.
5.2.4 Herbouw van bedrijfswoningen     

Herbouw van bestaande bedrijfswoningen is, voor zover het de situering van de bedrijfswoning betreft, uitsluitend toegestaan indien en voor zover:

  1. de herbouw plaatsvindt binnen het bouwvlak;
  2. herbouw plaatsvindt in de bestaande bouwwijze.
5.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning     

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, zijnde uitsluitend aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen, bij woningen, gelden de volgende bepalingen:

  1. de bebouwde oppervlakte mag per woning in totaal maximaal 100 m2 bedragen;
  2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
5.2.6 Maatvoering bedrijfsgebouwen     

Bedrijfsgebouwen dienen te voldoen aan de volgende maatvoering:

  1. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
5.2.7 Bouwen t.b.v. intensieve veehouderij     

Voor het bouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij(tak) binnen het bouwvlak, geldt het volgende:

  1. het bouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij(tak) mag niet leiden tot een grotere gebruiksoppervlakte voor die intensieve veehouderij(tak) dan 1 ha;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt voor intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij', uitbreiding van de bebouwde oppervlakte ten behoeve van een intensieve veehouderij(tak) uitsluitend is toegestaan na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 5.4.4.
5.2.8 Maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen bouwvlak     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  1. De goothoogte van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 4 m.
  2. De bouwhoogte van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 8,5 m.
  3. De hoogte van overige silo's mag niet meer bedragen dan 12 m.
  4. De hoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 m.
  5. De goothoogte van een hooiberg mag niet meer bedragen dan 6 m.
  6. De bouwhoogte van een hooiberg mag niet meer bedragen dan 9 m.
  7. De bebouwde oppervlakte van een hooiberg mag niet meer bedragen dan 36 m2.
  8. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 6 m.
5.2.9 Maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. het plaatsen van perceelafscheidingen tot een maximale hoogte van 1 m;
  3. het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m;
  4. een paardenbak is niet toegestaan.

5.3 Nadere eisen     

5.3.1 Nadere eisen i.v.m. landschaps- en natuurwaarden     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing op percelen met het oog op de bescherming van de landschaps- en natuurwaarden, als bedoeld in 5.1.

5.4 Afwijken van de bouwregels     

5.4.1 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden;
  4. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in 5.1.
5.4.2 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2, teneinde buiten het bouwvlak een schuilgelegenheid toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De schuilgelegenheid is uitsluitend bestemd voor mens en dier.
  2. De bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 30 m².
  3. De hoogte bedraagt maximaal 4 m.
  4. Het aantal schuilgelegenheden bedraagt maximaal 1 per hectare.
  5. De bebouwing kan, gezien de specifieke functie, niet binnen het bouwvlak worden geplaatst.
  6. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  7. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.4.3 Omgevingsvergunning hoogte bedrijfsgebouwen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.6, teneinde de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen te vergroten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 12 m;
  2. de vergroting van de hoogte is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  3. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  5. er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden;
  6. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.4.4 Omgevingsvergunning bebouwde oppervlakte intensieve veehouderij in extensiveringsgebied     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.7, teneinde de bebouwde oppervlakte te vergroten voor een intensieve veehouderij(tak) in extensiveringsgebied, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte mag niet groter zijn dan maximaal 10% van het bestaande gebruik, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1 ha, tenzij het bepaalde onder b. een grotere oppervlakte noodzakelijk maakt;
  2. de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid;
  3. het aanwezige aantal dierplaatsen neemt niet toe;
  4. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.4.5 Omgevingsvergunning paardenbak buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.9 onder d, teneinde buiten het bouwvlak een paardenbak toe te staan ten behoeve van deze bestemming dan wel de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Situering binnen het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen' is redelijkerwijs niet mogelijk.
  2. Indien een paardenbak ten behoeve van deze bestemming wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend aan het eigen bouwvlak opgericht; indien een paardenbak ten behoeve van de bestemming 'Wonen' wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend of binnen een afstand van 50 m van dat bestemmingsvlak 'Wonen' opgericht.
  3. De oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1500 m².
  4. De afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden bedraagt ten minste 50 m.
  5. Lichtmasten zijn niet toegestaan.
  6. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  7. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
5.4.6 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, als opgenomen in 5.2, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten gevolge van eisen uit het Bouwbesluit;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten, met dien verstande dat niet mag worden afgeweken van de inhoudsmaat van bedrijfswoningen;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  8. er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden;
  9. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1;
  10. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

5.5 Specifieke gebruiksregels     

5.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte;
  3. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van hooibalen, al dan niet verpakt in folie, gedurende een periode langer dan 6 weken;
  4. huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is en tijdelijke arbeidsplaatsen;

5.6 Afwijken van de gebruiksregels     

5.6.1 Omgevingsvergunning van de lijst toegelaten functies     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde toegelaten functies voor milieuhygiënisch vergelijkbare functies, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Uitsluitend functies worden toegelaten, die in milieuhygiënisch opzicht vergelijkbaar zijn met de in Bijlage 1 Toegelaten functies genoemde functies.
  2. Er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats.
  3. De toegelaten oppervlakte voor de nevenactiviteit bedraagt maximaal 350 m².
  4. Er is geen sprake van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking.
  5. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  6. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  7. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.6.2 Omgevingsvergunning minicampings en kleinschalige kampeerterreinen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van bestaande minicampings en bestaande kleinschalige kampeerterreinen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

Algemene criteria minicamping:

  1. Uitsluitend is uitbreiding van een bestaande minicamping toegestaan, of uitbreiding van een bestaande minicamping tot kleinschalig kampeerterrein, of uitbreiding van een bestaand kleinschalig kampeerterrein.
  2. De uitbreiding wordt gesitueerd binnen het bouwvlak.
  3. De bebouwde oppervlakte ten behoeve van bebouwing voor deze voorziening bedraagt maximaal 75 m².
  4. Voor trekkershutten gelden de volgende bepalingen:
    1. Per 10 kampeerplaatsen is 1 trekkershut toegestaan met een absoluut maximum van 3 trekkershutten.
    2. De bebouwde oppervlakte mag per trekkershut niet meer bedragen dan 16 m2.
    3. De trekkershutten tellen mee in het totale aantal kampeerplaatsen en in het toegestane bebouwde oppervlak.
  5. Stacaravans of chalets zijn niet toegestaan.
  6. De voorziening, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing.
  7. De voorziening is uitsluitend toegestaan tijdens het kampeerseizoen.
  8. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  9. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  10. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  12. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  13. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.

Specifieke criteria bestaande minicampings of kleinschalige kampeerterreinen:

  1. Het aantal kampeerplaatsen voor bestaande terreinen mag worden uitgebreid tot maximaal 30 ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied' te weten het recreatief ontwikkelingsgebied, en het deel dat niet is aangeduid met 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied' , te weten het overig landelijk gebied.
  2. Maximaal 15 plaatsen zijn toegestaan op bestaande minicampings ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' te weten recreatief restrictief gebied.

Specifieke criteria nieuwe minicampings of uitbreiden tot kleinschalige kampeerterreinen:

  1. Een nieuwe minicamping of uitbreiden tot kleinschalig kampeerterrein is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', alsmede in het deel dat niet is aangeduid met 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten het overig landelijk gebied.
  2. Voor het uitbreiden tot een kleinschalig kampeerterrein geldt een norm van maximaal 30 kampeerplaatsen.
  3. Voor een nieuwe minicamping of uitbreiden tot een kleinschalig kampeerterrein op de gronden die niet zijn aangeduid met de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten overig landelijk gebied, geldt dat de minicamping of het kleinschalig kampeerterrein is gelegen op een locatie aan of in de directe nabijheid van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1', te weten nationale en regionale wandel-, fiets-, en/of ruiterroutes.

Specifieke criteria, in aanvulling op het bepaalde onder a, ten behoeve van minicamping of kleinschalig kampeerterrein buiten het bouwvlak:

Indien de minicamping of het kleinschalige kampeerterrein niet volledig binnen het bouwvlak of het bestemmingsvlak 'Wonen' kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen om de standplaatsen in aansluiting op het bouwvlak of het bestemmingsvlak te realiseren.

  1. De in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  2. Bovengenoemde algemene en specifieke criteria zijn van overeenkomstig van toepassing.
5.6.3 Omgevingsvergunning groepskamperen en bed&breakfast     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het gebruik van gronden ten behoeve van groepskamperen of een bed&breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Het groepskamperen is uitsluitend toegestaan op minicampings, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' en 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten recreatieve zone 2 en 3 gedurende een korte aaneengesloten periode met maximaal 50 personen.
  2. De voor bed&breakfast gebruikte oppervlakte mag niet meer bedragen dan 500 m2.
  3. Aangetoond dient te worden dat de bestaande natuurwaarden niet worden verstoord en aangetast, waarbij onder andere wordt aangetoond dat er geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  4. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  5. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  6. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  7. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  8. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.6.4 Omgevingsvergunning combinatie van recreatieve activiteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels teneinde een combinatie van recreatieve activiteiten als nevenfunctie, als bedoeld in Bijlage 1 Toegelaten functies, toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Ten behoeve van recreatiewoningen, recreatie-appartementen, bed and breakfastvoorzieningen, groepsaccommodaties, trekkerhutten met een maximum van 3 en minicamping en kleinschalige kampeerterreinen is een maximale oppervlakte van 500 m² van bij voorkeur bestaande karakteristieke bebouwing toegelaten. Binnen deze maat kan maximaal 50 m² bebouwing benut worden voor kleinschalige horecavoorzieningen.
  2. Recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties zijn uitsluitend toegelaten in het kader van een bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van recreatieve doeleinden.
  3. Kleinschalige nieuwbouw moet aansluiten bij de bestaande karakteristieken. De oppervlakte van de nieuwbouw wordt gecompenseerd door sloop van niet- karakteristieke bebouwing.
  4. De vereveningsbijdrage bij “karakteristieke/monumentale gebouwen” bestaat uit de instandhouding van de karakteristieke/monumentale gebouwen.
  5. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.
  6. De initiatiefnemer dient een door het bevoegd gezag goed te keuren bedrijfs- en inrichtingsplan te overleggen.
  7. Maximaal 50% van de oppervlakte van het bouwvlak mag worden ingezet voor deze recreatieve functies.
  8. Het aantal kampeerplaatsen bedraagt maximaal 30.
  9. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  10. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  11. Buitenopslag is niet toegestaan.
  12. Functieverandering is uitsluitend van toepassing op fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen.
  13. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  14. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  15. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  16. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  17. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.

Binnen het kader van deze omgevingsvergunningsmogelijkheid is het mogelijk de ene bestaande recreatieve functie om te zetten in een andere recreatieve functie.

5.6.5 Omgevingsvergunning oppervlakte toegelaten nevenfuncties     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels teneinde in karakteristieke/monumentale gebouwen en overige gebouwen, nevenfuncties als hieronder genoemd, toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De nevenfunctie is in Bijlage 1 Toegelaten functies aangeduid met 'N'.
  2. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  3. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  4. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  5. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  6. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  7. Onderstaand is de maximale oppervlakte opgenomen die ten behoeve van de nevenfunctie mag worden gebruikt, met dien verstande dat nooit meer dan 50% van de bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit mag worden gebruikt:
    1. Dagrecreatie met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
    2. Zorg met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
    3. Opslag is niet toegestaan.
    4. Overige nieuwe economische dragers als nevenfunctie zijn niet toegestaan.
  8. De toegelaten nevenactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 Toegelaten functies, vinden plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering.
  9. Functieverandering is uitsluitend van toepassing op fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen.
  10. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.
  11. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.6.6 Omgevingsvergunning opslaan hooibalen buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.5.1 ten behoeve van het opslaan van hooibalen buiten de aanduiding 'bouwvlak' gedurende een periode langer dan 6 weken, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de hooibalen worden direct grenzend aan de aanduiding 'bouwvlak' opgeslagen;
  2. de hoogte en oppervlakte bedragen respectievelijk maximaal 2 meter en 100 m²;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1;
  4. de opslag dient landschappelijk te worden ingepast.

5.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

5.7.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren

die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, draineren, onderbemalen en het slaan van putten;
  4. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2;
  6. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken;
  7. diepploegen;
  8. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
  9. het beplanten van gronden met houtgewas, voorzover het houtgewas betreft dat hoger opgaat dan 1 m;
  10. het scheuren van grasland;
  11. het wijzigen van het verkavelingspatroon.
5.7.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 5.7.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. werken en werkzaamheden binnen het 'bouwvlak';omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand
  4. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  5. werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
5.7.3 Voorwaarden     

De in 5.7.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de EHS-verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning ehs verbindingszone';
  2. bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1' en 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 2' mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het reliëfrijke karakter van de bolle akkers en de openheid van de open akkers mag niet onevenredig worden aangetast;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de overige aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.

5.8 Wijzigingsbevoegdheid     

5.8.1 Wijziging vergroting en/of vormverandering bouwvlak     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde het aangeduide 'bouwvlak' te vergroten en/of van vorm te veranderen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De vergroting of het veranderen van vorm van het bouwvlak mag uitsluitend plaatsvinden indien wordt aangetoond dat door de uitvoering van het initiatief geen significante negatieve effecten optreden voor de beschermde soorten en hun leefomgeving.
  2. Ingeval van uitbreiding van het bouwvlak dient vooraf advies te worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige op het gebied van agrarische bouwaanvragen.
  3. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  4. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen en de bedrijven worden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad.
  5. De maximale oppervlakte van het bouwvlak mag na vergroting en/of vormverandering niet meer bedragen dan 1,5 ha. De maximale oppervlakte voor intensieve veehouderij(takken) blijft overigens 1 ha.
  6. In afwijking van bepaalde onder e. geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij ...(numeriek)' uitbreiding van het bouwvlak uitsluitend is toegelaten in het kader van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid. Ditzelfde geldt voor intensieve veehouderij(takken) buiten de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', waarbij de maximale maat van 1 ha wordt overschreden. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:
    1. de uitbreiding is noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke eisen van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid;
    2. de uitbreiding bedraagt niet meer dan 10% van de bestaande bebouwde oppervlakte, tenzij wordt aangetoond dat op basis van dierenwelzijn een grotere oppervlakte noodzakelijk is;
    3. het aantal dierplaatsen binnen de intensieve veehouderij neemt niet toe.
  7. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  8. Er mogen vanuit oogpunt van natuurwetgeving geen belemmeringen bestaan.
  9. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.2 Wijziging vergroting en/of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij ontwikkelingslocaties verwevingsgebied     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied ontwikkelingslocaties' het aangeduide 'bouwvlak' ten behoeve van intensieve veehouderij te vergroten en/of van vorm te veranderen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Het bestaande agrarische bouwperceel, te weten de aanduiding 'bouwvlak', biedt onvoldoende ruimte voor de voorgenomen uitbreiding. De maximale toegestane oppervlakte bedraagt 1,5 ha.
  2. Bij aanvraag dient een actueel bedrijfsontwikkelingsplan overlegd te worden. Hierbij kan gevraagd worden voldoende zekerheid omtrent de financiering van de voorgenomen uitbreiding te geven.
  3. De omgevingsruimte maakt een groei van het bedrijf tot minimaal 125 NGE - Nederlandse Grootte Eenheid- (ca. 2.500 mestvarkens) mogelijk (stank en ammoniak); de noodzakelijke omgevingsruimte wordt bepaald op basis van het soort dieren dat op het bedrijf gehouden gaat worden.
  4. Voorts dient te worden voldaan aan de criteria voor ontwikkelingslocaties in verwevingsgebieden uit bijlage 5, eerste kolom van het reconstructieplan Achterhoek en Liemers.
  5. Binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag worden gebruikt voor het houden van dieren ten behoeve van een intensieve veehouderij met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op pluimveehouderijen, waarvoor maximaal twee bouwlagen zijn toegestaan.
  6. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid.
  7. Er dient in ieder geval onderzoek te worden verricht naar flora en fauna.
  8. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat op het gebied van geur, geluid en luchtkwaliteit.
  9. Ingeval van uitbreiding van het bouwvlak dient vooraf advies te worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige op het gebied van agrarische bouwaanvragen.
  10. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  11. Er mogen vanuit oogpunt van natuurwetgeving geen belemmeringen bestaan.
  12. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.3 Wijziging concentratie intensieve veehouderijtakken     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een concentratie van intensieve veehouderijtakken van één bedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Het gaat om bestaande intensieve veehouderijtakken van één bedrijf in het verwevings- of extensiveringsgebied, die geconcentreerd worden op een bestaande locatie in het verwevingsgebied waar reeds een intensieve veehouderij(tak) aanwezig is.
  2. De intensieve veehouderijtak op de andere locaties in het verwevings- of extensiveringsgebied wordt beëindigd.
  3. Er is sprake van duidelijke milieuwinst en andere belangen mogen niet onevenredig worden geschaad.
  4. Uitbreiding van het agrarische bouwvlak ten behoeve van de intensieve veehouderij tot meer dan 1 ha is mogelijk.
  5. Bij aanvraag dient een actueel bedrijfsontwikkelingsplan overlegd te worden. Hierbij kan gevraagd worden voldoende zekerheid omtrent de financiering van de voorgenomen uitbreiding te geven.
  6. De omgevingsruimte maakt een groei van het bedrijf tot minimaal 125 NGE - Nederlandse Grootte Eenheid- (ca. 2.500 mestvarkens) mogelijk (stank en ammoniak). De noodzakelijke omgevingsruimte wordt bepaald op basis van het soort dieren dat op het bedrijf gehouden gaat worden.
  7. Er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, blijkens een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan.
  8. Voorts dient te worden voldaan aan de criteria voor ontwikkelingslocaties in verwevingsgebieden uit bijlage 5, eerste kolom van het reconstructieplan Achterhoek en Liemers.
  9. Binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag worden gebruikt voor het houden van dieren ten behoeve van een intensieve veehouderij met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op pluimveehouderijen, waarvoor maximaal twee bouwlagen zijn toegestaan.
  10. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid.
  11. Er dient in ieder geval onderzoek te worden verricht naar flora en fauna.
  12. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat op het gebied van geur, geluid en luchtkwaliteit.
  13. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  14. Er mogen vanuit oogpunt van natuurwetgeving geen belemmeringen bestaan.
  15. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.4 Wijziging in bestemming Bos of Natuur     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde de bestemming 'Natuur' op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het plan versterkt de bestaande landschapsstructuur en EHS en past in het landschapsbeleid van de gemeente en het Gebiedsplan natuur en landschap van de provincie;
  2. de bestemmingswijziging komt tot stand op basis van vrijwilligheid;
  3. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
5.8.5 Wijziging in bestemming Wonen     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde de bestemming 'Wonen' op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Bij hergebruik dient minimaal 500 m2 van de niet-karakteristieke bebouwing te worden gesloopt. In ieder geval moet het voormalige agrarische hoofdgebouw, waarin de bedrijfswoning is gelegen, voor de nieuwe woningen worden gebruikt. De woningen moeten zoveel mogelijk worden gerealiseerd in één en ten hoogste in twee gebouwen, waarbij naast de reeds bestaande - voormalige - bedrijfswoning(en) maximaal drie extra woningen/wooneenheden gerealiseerd kunnen worden.
  2. Als hergebruik van de aanwezige bedrijfsgebouwen voor wonen niet mogelijk is kan na sloop - met een minimum 1000 m2 - van alle gebouwen, met uitzondering van monumentale en karakteristieke bebouwing, vervangende nieuwbouw plaatsvinden in de vorm van een vrijstaande woning of maximaal drie woningen/wooneenheden in een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 50% van de gesloopte oppervlakte.
  3. De woningen moeten een inhoud hebben van minimaal 300 m³ per woning. De maximale inhoudsmaat voor een vrijstaande woning bedraagt 750 m3.
  4. Alle overige bebouwing die niet voor de woning(en) kan worden ingericht (b.v. als bijbehorend) moet worden gesloopt. De karakteristieke gebouwen dienen te worden gehandhaafd.
  5. In beginsel dient verevening in de vorm van een minimale reductie van 50 % van de bebouwde oppervlakte van niet-karakteristieke gebouwen op het bouwvlak te worden gerealiseerd. De bestaande woning en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van het wonen niet meegerekend en buiten de berekening gelaten.
  6. Andere vormen van verevening kunnen bestaan uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing, verbetering van de infrastructuur, aanleg van recreatieve voorzieningen of een financiële bijdrage.
  7. De voormalige bestaande agrarische functie mag tot een maximale oppervlakte van 200 m² worden voortgezet ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren.
  8. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  9. De woningen moeten op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar zijn. Daarbij geldt dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting op de gevel danwel een verkregen ontheffing op basis van de Wet geluidhinder.
  10. De initiatiefnemer overlegt een inrichtingsplan waarop hij de vormgeving van de gebouwen en de inrichting van zijn erf verantwoordt.
  11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  12. Het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie.
  13. De bepalingen in Artikel 9 Wonen zijn van overeenkomstige toepassing.
5.8.6 Wijziging t.b.v. grotere oppervlakte toegelaten nevenfuncties     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde in karakteristieke/ monumentale gebouwen en overige gebouwen een grotere oppervlakte aan nevenfuncties, toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De nevenfunctie is in Bijlage 1 Toegelaten functies aangeduid met 'N'.
  2. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  3. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  4. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  5. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  6. Onderstaand is de maximale oppervlakte opgenomen die ten behoeve van de nevenfunctie mag worden gebruikt, met dien verstande dat nooit meer dan 50% van de bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit mag worden gebruikt:
    1. Dagrecreatie met een oppervlakte van maximaal 750 m2.
    2. Zorg met een oppervlakte van maximaal 750 m2.
    3. Opslag met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
    4. Overige nieuwe economische dragers als nevenfunctie met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
  7. De toegelaten nevenactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 Toegelaten functies, vinden plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering.
  8. Functieverandering is uitsluitend van toepassing op fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen.
  9. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.
  10. Parkeren en laden en lossen vinden plaats op eigen erf.
  11. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  12. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.7 Wijziging t.b.v. toegelaten hoofdfuncties     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een bestemming op te nemen die past bij de onderstaande toe te laten functies, teneinde in karakteristieke/ monumentale gebouwen en overige gebouwen een nieuwe hoofdfunctie, toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De hoofdfunctie is in Bijlage 1 Toegelaten functies aangeduid met 'H'.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  3. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  4. Onderstaand is de maximale oppervlakte opgenomen die ten behoeve van de hoofdfunctie mag worden gebruikt, met dien verstande dat nooit meer dan 50% van de bebouwing ten behoeve van de hoofdactiviteit mag worden gebruikt:
    1. Dagrecreatie met een oppervlakte van maximaal 750 m2.
    2. Zorg met een oppervlakte van maximaal 900 m2.
    3. Opslag met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
    4. Overige nieuwe economische dragers als hoofdfunctie met een oppervlakte van maximaal 500 m2.
    5. In afwijking van het bepaalde onder 1, 2 en 4 geldt, indien het om één gebouw gaat, de oppervlakte van dit gebouw als maximum.
  5. De woonfunctie van de voormalige agrarische bedrijfswoning blijft gehandhaafd.
  6. Functieverandering is uitsluitend van toepassing op fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen.
  7. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.
  8. Parkeren en laden en lossen vinden plaats op eigen erf.
  9. Buitenopslag is niet toegestaan.
  10. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  11. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.8 Wijziging recreatieve route     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een aanduiding ten behoeve van een recreatieve route op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.
5.8.9 Wijziging aanduiding t.b.v. karakteristieke/monumentale gebouwen     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde gebouwen aan te wijzen als karakteristiek of monumentaal gebouw, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Vooraf dient advies te worden ingewonnen bij de monumentencommissie.
  2. Op de verbeelding behorende bij het wijzigingsplan wordt de bebouwing aangeduid met de aanduiding “karakteristieke monumentale gebouwen” of aangeduid met “gemeentelijk monument”.
  3. Het perceel met de aangeduide bebouwing wordt opgenomen in bijlage 'Gemeentelijke monumenten' danwel in bijlage 'Nieuw aangewezen waardevolle bebouwing'.
  4. Er mogen geen significante negatieve effecten voor de EHS plaatsvinden.
  5. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1 5.1.
5.8.10 Wijziging gezamenlijke mestopslag     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een gezamenlijke mestopslag buiten het bouwvlak mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. De vergroting of het veranderen van vorm van het bouwvlak mag uitsluitend plaatsvinden indien wordt aangetoond dat door de uitvoering van het initiatief geen significante negatieve effecten optreden voor de beschermde soorten en hun leefomgeving.
  2. De mestopslag mag uitsluitend plaatsvinden indien wordt aangetoond dat door de uitvoering van het initiatief geen nadelige effecten optreden voor waardevolle open gebieden waaronder essen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 2'.
  3. De locatie is gelegen buiten de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'.
  4. De bedrijfsmatige noodzaak, de milieutechnische uitvoerbaarheid en de milieuhygiënische toelaatbaarheid worden aangetoond.
  5. De in de omgeving aanwezig functies en waarden worden niet onevenredig geschaad.
  6. De wijzigingen op het perceel dienen op landschappelijk verantwoorde wijze te worden ingepast. De inhoud van de gezamenlijke mestopslag en de hoogte hiervan bedragen respectievelijk maximaal 2500 m3 en 4 m.
  7. De mestopslag wordt gesitueerd binnen een afstand van 50 m van een bouwvlak.
  8. Het initiatief kan niet worden uitgevoerd, tenzij aangetoond wordt dat door de uitvoering van het initiatief geen significante negatieve effecten optreden voor de beschermde soorten en hun leefomgeving.
  9. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.

Artikel 6 Bos     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bos met bijbehorende voorzieningen;
  2. houtproductie;
  3. de bescherming van de droge en natte natuurwaarden en landschapswaarden;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. water en waterlopen;
  6. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. voet- en fietspaden;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

6.2.2 Gebouwen     

Een gebouw dient te voldoen aan de volgende bepalingen:

  1. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.
  2. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 160 m2.
6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Bouwwerken geen gebouwen zijnde dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:

  1. De bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.
  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen mag niet meer dan 2 m bedragen.
  3. De bouwhoogte van brandtorens mag niet meer dan 30 m bedragen.
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.

6.3 Afwijken van de bouwregels     

6.3.1 Omgevingsvergunning schuilgelegenheden     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.1 ten behoeve van het oprichten van schuilgelegenheden, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. schuilgelegenheden zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van natuurbeheer;
  2. de hoogte bedraagt maximaal 4 m;
  3. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m²;
  4. het aantal schuilgelegenheden bedraagt maximaal 1 per 25 aaneengesloten ha bos- en natuurgebied, bestemd met 'Bos' en/of 'Natuur';
  5. de noodzaak voor het oprichten van het bouwwerk moet worden aangetoond;
  6. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden en belangen als omschreven in 6.1.
6.3.2 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden en belangen als omschreven in 6.1.
6.3.3 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten gevolge van eisen uit het Bouwbesluit;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden;
  8. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

6.4 Specifieke gebruiksregels     

6.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen groepskamperen.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van PM

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

6.6.1 Werken en werkzaamheden     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
  4. aanleggen en (half)verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m².
6.6.2 Uitzonderingen vergunningsplicht     

Het in 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden.
6.6.3 Voorwaarden     

De in 6.6.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. indien er sprake is van ligging in of grenzend aan de EHS (bestemming Agrarisch met waarden -) of het waardevol landschap (bestemming Agrarisch met waarden - Landschap buiten de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1' en buiten de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 2') mogen er geen significante negatieve effecten voor de EHS of het waardevol landschap plaatsvinden;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in die ten dienste staan 6.1.

6.7 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde de bestemming Natuur op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Het plan versterkt de bestaande landschapsstructuur en EHS en past in het landschapsbeleid van de gemeente en het Gebiedsplan natuur en landschap van de provincie.
  2. De bestemmingswijziging komt tot stand op basis van vrijwilligheid.
  3. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  4. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 6.1.

Artikel 7 Natuur     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

7.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bos met bijbehorende voorzieningen.
  2. de instandhouding en ontwikkeling van de droge en natte natuurwaarden en de landschapswaarden;
  3. houtproductie;
  4. extensief agrarische activiteiten;
  5. extensief recreatief medegebruik;
  6. begraafplaats;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen.
7.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 7.1.1:

a Natuurwaarden     

De natuurwaarden bestaan uit het volgende:

  1. instandhouding en ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur;

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan één gebouw en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

7.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van het gebouw gelden de volgende regels:

  1. het gebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  2. het gebouw mag uitsluitend een observatiehut betreffen;
  3. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.
7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Bouwwerken geen gebouwen zijnde dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:

  1. De bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.
  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van informatievoorzieningen mag niet meer dan 2 m bedragen.
  3. De bouwhoogte van brandtorens mag niet meer dan 30 m bedragen.
  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.

7.3 Afwijken van de bouwregels     

7.3.1 Omgevingsvergunning schuilgelegenheden     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.1 ten behoeve van het oprichten van schuilgelegenheden, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. schuilgelegenheden zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van natuurbeheer;
  1. de hoogte bedraagt maximaal 4 m;
  2. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m²;
  3. het aantal schuilgelegenheden bedraagt maximaal 1 per 25 aaneengesloten ha bos- en natuurgebied, bestemd met 'Natuur';
  4. de noodzaak voor het oprichten van het bouwwerk moet worden aangetoond;
  5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden en belangen als omschreven in 7.1
7.3.2 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden en belangen als omschreven in 7.1.
7.3.3 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten behoeve van een optimale verkaveling c.q. optimaal gebruik;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden en belangen als omschreven in 7.1;
  8. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

7.4 Specifieke gebruiksregels     

7.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. natuurkampeerterrein.

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

7.5.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. graven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1', te weten aardkundig waardevol gebied;
  3. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  4. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
  5. aanleggen en (half)verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
  6. het scheuren van grasland;
  7. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
7.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 7.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  4. werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand benodigd is.
7.5.3 Voorwaarden     

De in 7.5.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 7.1.2.

7.6 Wijzigingsbevoegdheid     

7.6.1 Wijziging recreatieve route     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een aanduiding ten behoeve van een recreatieve route op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 7.1.

Artikel 8 Recreatie - Recreatiewoning     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

8.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatieve doeleinden in de vorm van recreatiewoningen en stacaravans met bijbehorende voorzieningen.

8.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 8.1.1:

a Recreatiewoningen en stacaravans     

Voor recreatiewoningen en stacaravans gelden de volgende bepalingen:

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'stacaravan' is uitsluitend een stacaravan met bijbehorende gebouwen toegestaan.
  2. Op de gronden zonder de aanduiding 'stacaravan' is uitsluitend een recreatiewoning met bijbehorende gebouwen toegestaan.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

8.2.2 Aantal     

Per bestemmingsvlak is maximaal één recreatiewoning/ stacaravan toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' het met deze aanduiding aangegeven aantal als maximum aantal recreatiewoningen en/of stacaravans betreft.

8.2.3 Maatvoering recreatiewoning     

Voor recreatiewoningen gelden de volgende maatvoeringseisen:

  1. de inhoud van een recreatiewoning, inclusief de inhoud van bijbehorend bouwwerken, mag maximaal 300 m³ bedragen;
  2. de goothoogte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 3,5 m;
  3. de bouwhoogte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 7 m.
8.2.4 Maatvoering stacaravan     

Voor stacaravans gelden de volgende maatvoeringseisen:

  1. de oppervlakte van een stacaravan bedraagt maximaal 55 m2, inclusief bijbehorend bouwwerken;
  2. de hoogte van een stacaravan bedraagt maximaal 3,5 m.
8.2.5 Bijbehorende bouwwerken     
  1. De maximale gezamenlijke vloeroppervlakte van bijbehorend bouwwerken, zijnde uitsluitend bijgebouwen en overkappingen, bij een recreatiewoning of stacaravan bedraagt 6 m².
  2. De maximale hoogte van bijgebouwen en overkappingen bij een recreatiewoning of stacaravan bedraagt 2,5 m.
  3. De afstand van het bijgebouw of een overkapping tot de recreatiewoning of stacaravan bedraagt maximaal 20 meter.
8.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:

  1. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 1 m.
  2. De bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag achter de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 2 m.
  3. In afwijking van het voorgaande bedraagt de hoogte van verlichtings- en vlaggenmasten maximaal 8 m.
  4. De bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

8.3 Afwijken van de bouwregels     

8.3.1 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten gevolge van eisen uit het Bouwbesluit;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten, met dien verstande dat niet kan worden afgeweken van de inhoudsmaat;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.
8.3.2 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming.

8.4 Specifieke gebruiksregels     

8.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van gebouwen voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte.

Artikel 9 Wonen     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

9.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woondoeleinden;
  2. bed&breakfast;
  3. in combinatie met het wonen recreatieve voorzieningen, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 9.5.1 en 9.5.2;

één en ander met bijbehorende voorzieningen.

9.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 9.1.1:

a Bed&breakfast     

Voor bed&breakfast gelden de volgende bepalingen:

  1. de bed&breakfastfunctie is uitsluitend toegestaan in de woning, dus niet in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
  2. er mogen niet meer dan twee kamers met maximaal 2 bedden worden gebruikt voor de bed&breakfastfunctie.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan hoofdgebouwen in de vorm van woningen en bij de woning behorende andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

9.2.2 Gebouwen - algemeen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. er mag uitsluitend één hoofdgebouw per bestemmingsvlak worden gesitueerd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt ter plaatse van de aanduiding 'aantal woningen' het aangegeven aantal als maximum aantal wooneenheden.
  3. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds gebouwen aanwezig zijn, dan wel maximaal 1 m buiten deze gebouwen; ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
9.2.3 Woningen - het hoofdgebouw     

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende bepalingen:

  1. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan, tenzij ter plaatse de aanduiding 'aantal woningen' is aangegeven, waarbij uitsluitend het aangegeven aantal woningen is toegestaan. De toegestane woningen kunnen in aparte hoofdgebouwen dan wel tezamen in één hoofdgebouw zijn gesitueerd; de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande situatie is normstellend. Voor vermindering van het aantal wooneenheden binnen één hoofdgebouw dient de wijzigingsprocedure als bedoeld in 17.1.2 te worden gevolgd.
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  4. de inhoud van het hoofdgebouw tezamen met aan- en uitbouwen, maximaal gelijk is aan de inhoud van het gebouw waarbinnen de woning is gelegen ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Indien de inhoud van het gebouw kleiner is dan 750 m³ mag het gebouw worden uitgebreid tot maximaal 750 m³;
  5. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 3 m.
9.2.4 Herbouw van woningen     

Herbouw van bestaande woningen is, voor zover het de situering van de woning betreft, uitsluitend toegestaan indien en voor zover:

  1. de herbouw plaatsvindt met de bestaande situering;
  2. herbouw plaatsvindt in de bestaande bouwwijze.
9.2.5 Bijbehorende bouwwerken     

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, uitsluitend zijnde aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen bij woningen, gelden de volgende bepalingen:

  1. de bebouwde oppervlakte mag per woning in totaal maximaal 100 m2 bedragen;
  2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
  4. de afstand van een overkapping tot de woning bedraagt maximaal 20 m.
9.2.6 Overkappingen     

Voor het bouwen van overkappingen bij woningen, niet zijnde hooibergen, gelden de volgende bepalingen:

  1. de bebouwde oppervlakte van overkappingen mag per woning in totaal maximaal 30 m2 bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  3. de afstand van een overkapping tot de woning bedraagt maximaal 20 m.
9.2.7 Hooiberg     

Voor hooibergen bij woningen gelden de volgende bepalingen:

  1. de bebouwde oppervlakte mag per woning maximaal 36 m2 bedragen;
  2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
  4. de afstand van een hooiberg tot de woning bedraagt maximaal 20 m.
9.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 1 m, met dien verstande dat pergola's zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen binnen de overige gronden mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt dat afrastering van landbouwgronden is toegestaan met een hoogte van maximaal 1,5 m;
  4. de bouwhoogte van zwembaden mag niet meer dan 0,6 m bedragen;
  5. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m.

9.3 Afwijken van de bouwregels     

9.3.1 Omgevingsvergunning verplaatsing of herbouw woning buiten bebouwingscontour     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.4, teneinde verplaatsing van een woning toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Er dient op enig punt aansluiting plaats te vinden ter plaatse van de bestaande funderingen; dit betekent dat de nieuwe situering van de te herbouwen woning in ieder geval dient aan te sluiten op de voormalige situering.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a. is het toegestaan de woning volledig buiten de bestaande fundamenten of bebouwingscontour te situeren, indien dit vanuit oogpunt van verkeersveiligheid noodzakelijk is.
  3. De nieuwe situering van de woning is stedebouwkundig en milieukundig aanvaardbaar.
  4. Door de herbouw wordt het landelijk karakter niet onevenredig aangetast.
  5. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
9.3.2 Omgevingsvergunning vergroten maximum bebouwde oppervlakte bijbehorende bouwwerken     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.5, teneinde een grotere bebouwde oppervlakte toe te staan. Dit dient in combinatie te gaan met sloop van met vergunning/ legaal gebouwde gebouwen. Hierbij geldt dat karakteristieke bebouwing behouden blijft. De regeling is als volgt:

  1. per aantal vierkante meters gesloopte oppervlakte, minus de al toegestane 100 m2, is 20% extra bebouwde oppervlakte toegestaan;
  2. de in totaal toegestane bebouwde oppervlakte mag echter niet meer bedragen dan 375 m2.
9.3.3 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de hoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming.
9.3.4 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking van de genoemde maat/ maten is noodzakelijk ten behoeve van een optimale verkaveling c.q. optimaal gebruik;
  2. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten, met dien verstande dat niet kan worden afgeweken van de inhoudsmaat van woningen;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woonsituatie;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  6. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  7. er kan en/of er is niet reeds op grond van een andere omgevingsvergunningsbepaling omgevingsvergunning worden verleend.

9.4 Specifieke gebruiksregels     

9.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. een aan huis verbonden bedrijf;
  2. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte.
9.4.2 Aan huis verbonden beroep     

Het gebruik van een woning en/of bijbehorend bouwwerk voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep wordt geacht overeenkomstig de bestemming te zijn mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. voor het aan huis verbonden beroep mag maximaal 50 m2 van de bebouwde oppervlakte worden gebruikt, met dien verstande dat dit nooit meer mag bedragen dan 40% van de bebouwde oppervlakte van de woning;
  2. degene die de activiteiten in de woning en/of het bijbehorend bouwwerk zal uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;
  3. de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het aan huis verbonden beroep is hieraan ondergeschikt;
  4. uitsluitend zijn activiteiten toegestaan, zoals opgenomen in bijlage 'Toegelaten functies'.

9.5 Afwijken van de gebruiksregels     

9.5.1 Omgevingsvergunning minicampings en kleinschalige kampeerterreinen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van bestaande en nieuwe minicampings en kleinschalige kampeerterreinen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

Algemene criteria:

  1. De functies zijn uitsluitend toegestaan bij een voormalig agrarisch bedrijf.
  2. Een kleinschalig kampeerterrein kan uitsluitend worden toegestaan indien het een uitbreiding van een bestaande minicamping naar een kleinschalig kampeerterrein betreft.

Algemene criteria minicamping:

  1. De minicamping of het kleinschalige kampeerterrein wordt gesitueerd binnen het bestemmingsvlak.
  2. De bebouwde oppervlakte ten behoeve van bebouwing voor deze voorziening bedraagt maximaal 75 m².
  3. Voor trekkershutten gelden de volgende bepalingen:
    1. Per 10 kampeerplaatsen is 1 trekkershut toegestaan met een absoluut maximum van 3 trekkershutten.
    2. De trekkershutten tellen mee in het totale aantal kampeerplaatsen en in het toegestane bebouwde oppervlak.
  4. Stacaravans of chalets zijn niet toegestaan.
  5. De voorziening, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing.
  6. De voorziening is uitsluitend toegestaan tijdens het kampeerseizoen.
  7. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  8. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  9. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  10. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  11. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden.

Specifieke criteria bestaande minicampings of kleinschalige kampeerterreinen:

  1. Het aantal kampeerplaatsen voor bestaande terreinen mag worden uitgebreid tot maximaal 30 ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied' te weten het recreatief ontwikkelingsgebied, en het deel dat niet is aangeduid met 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten het overig landelijk gebied.
  2. Maximaal 15 plaatsen zijn toegestaan op bestaande minicampings ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' te weten recreatief restrictief gebied.

Specifieke criteria nieuwe minicampings of uitbreiden tot kleinschalige kampeerterreinen:

  1. Een nieuwe minicamping of uitbreiden tot kleinschalig kampeerterrein is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', alsmede in het deel dat niet is aangeduid met 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten het overig landelijk gebied.
  2. Voor het uitbreiden tot een kleinschalig kampeerterrein geldt een norm van maximaal 30 kampeerplaatsen.
  3. Voor een nieuwe minicamping of uitbreiden tot een kleinschalig kampeerterrein op de gronden die niet zijn aangeduid met de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief restrictief gebied' of 'wro-zone - ontheffingsgebied recreatief ontwikkelingsgebied', te weten overig landelijk gebied, geldt dat de minicamping of het kleinschalig kampeerterrein is gelegen op een locatie aan of in de directe nabijheid van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1', te weten nationale en regionale wandel-, fiets-, en/of ruiterroutes.
9.5.2 Omgevingsvergunning combinatie van recreatieve activiteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels teneinde een combinatie van recreatieve activiteiten als nevenfunctie, als bedoeld in bijlage 'Toegelaten functies' toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Ten behoeve van recreatiewoningen, recreatie-appartementen, bed and breakfastvoorzieningen, groepsaccommodaties, trekkerhutten met een maximum van 3 en minicamping en kleinschalige kampeerterreinen is een maximale oppervlakte van 500 m² van bij voorkeur bestaande karakteristieke bebouwing toegelaten. Binnen deze maat kan maximaal 50 m² bebouwing benut worden voor kleinschalige horecavoorzieningen.
  2. Er is sprake geweest van een voormalig agrarisch bouwvlak waarvan de bestemming is gewijzigd in een burgerwoning.
  3. Recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties zijn uitsluitend toegelaten in het kader van een bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van recreatieve doeleinden.
  4. Kleinschalige nieuwbouw moet aansluiten bij de bestaande karakteristieken. De oppervlakte van de nieuwbouw wordt gecompenseerd door sloop van niet- karakteristieke bebouwing.
  5. De vereveningsbijdrage bij “karakteristieke/monumentale gebouwen” bestaat uit de instandhouding van de karakteristieke/monumentale gebouwen.
  6. De vereveningsbijdrage bij “overige gebouwen” bestaat uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bestemmingsvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing of verbetering van de infrastructuur.
  7. De initiatiefnemer dient een door het bevoegd gezag goed te keuren bedrijfs- en inrichtingsplan te overleggen.
  8. Maximaal 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak mag worden ingezet voor deze recreatieve functies.
  9. Het aantal kampeerplaatsen bedraagt maximaal 30.
  10. Buitenopslag is niet toegestaan.
  11. Functieverandering is uitsluitend van toepassing op fysiek bestaande, legale en vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen.
  12. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
  13. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse.
  14. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  15. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  16. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden.

Binnen het kader van deze omgevingsvergunningsmogelijkheid is het mogelijk de ene bestaande recreatieve functie om te zetten in een andere recreatieve functie.

9.6 Wijzigingsbevoegdheid     

9.6.1 Wijziging bouwwijze     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde deze bestemming te wijzigen teneinde een andere bouwwijze toe te staan, dan de bestaande, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. De te realiseren woning(en) dient/dienen te passen binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  3. Het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast.
  4. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer en/of railverkeer van geluidgevoelige gebouwen is niet hoger dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.
  5. Uit onderzoek dient te blijken dat de bodemkwaliteit voldoet aan de eisen die woningbouw toestaan.
  6. Uit onderzoek dient te blijken dat de luchtkwaliteit geen belemmering opwerpt voor woningbouw.
  7. Uit onderzoek dient te blijken dat de externe veiligheid voldoende gewaarborgd is
  8. Uit onderzoek dient te blijken dat geen onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden optreedt.
9.6.2 Wijziging Recreatie - Verblijfsrecreatie     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde recreatieve verblijfsdoeleinden te kunnen toestaan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan bij burgerwoningen uitsluitend gebruik worden gemaakt indien:
    1. op het moment van de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan reeds één van de onder b vermelde recreatieve functies aanwezig is;
    2. het gronden betreft van een voormalig agrarisch bouwvlak met bedrijfsgebouwen.
  2. De recreatieve verblijfsdoeleinden mogen uitsluitend bestaan uit recreatiewoningen, recreatie-appartementen, bed and breakfastvoorzieningen, groepsaccommodaties, trekkershutten tot een maximum van 3, minicampings en kleinschalige kampeerterreinen.
  3. De oppervlakte van de recreatieve verblijfsdoeleinden zijn met een maximale oppervlakte van 750 m² van bij voorkeur bestaande karakteristieke gebouwen toegelaten, inclusief maximaal 50 m² bebouwing voor kleinschalige horecavoorzieningen.
  4. Recreatiewoningen, -appartementen en groepsaccommodaties zijn uitsluitend toegelaten in het kader van een bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van recreatieve doeleinden.
  5. Kleinschalige toegestane nieuwbouw moet qua hoogte en maatvoering aansluiten bij de bestaande karakteristieken. De overige niet-karakteristieke bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt.
  6. De initiatiefnemer dient een door het bevoegd gezag goed te keuren bedrijfs- en inrichtingsplan te overleggen. De wijzigingen op het perceel dienen op landschappelijk verantwoorde wijze te worden ingepast.
  7. Er is geen sprake van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking.
  8. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  9. Op eigen terrein dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien.
9.6.3 Wijziging extra woningen in voormalige bedrijfsbebouwing     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde extra woningen mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. Bij hergebruik dient minimaal 500 m2 van de niet-karakteristieke bebouwing te worden gesloopt. In ieder geval moet het voormalige agrarische hoofdgebouw, waarin de woning is gelegen, voor de nieuwe woningen worden gebruikt. De woningen moeten zoveel mogelijk worden gerealiseerd in één en ten hoogste in twee gebouwen, waarbij naast de reeds bestaande - voormalige - bedrijfswoning(en) maximaal drie extra woningen/wooneenheden gerealiseerd kunnen worden.
  2. Als hergebruik van de aanwezige bedrijfsgebouwen voor wonen niet mogelijk is kan na sloop - met een minimum 1000 m2 - van alle gebouwen, met uitzondering van monumentale en karakteristieke bebouwing, vervangende nieuwbouw plaatsvinden in de vorm van een vrijstaande woning of maximaal drie woningen/wooneenheden in een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 50% van de gesloopte oppervlakte.
  3. De woningen moeten een inhoud hebben van minimaal 300 m³ per woning. De maximale inhoudsmaat voor een vrijstaande woning bedraagt 750 m3.
  4. Alle overige bebouwing die niet voor de woning(en) kan worden ingericht (b.v. als bijbehorend) moet worden gesloopt. De karakteristieke gebouwen dienen te worden gehandhaafd.
  5. In beginsel dient verevening in de vorm van een minimale reductie van 50 % van de bebouwde oppervlakte van niet-karakteristieke gebouwen op het bestemmingsvlak te worden gerealiseerd. De bestaande woning en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van het wonen niet meegerekend en buiten de berekening gelaten.
  6. Andere vormen van verevening kunnen bestaan uit een kwaliteitsbijdrage zoals sloop, verkleining van het bouwvlak of een groene invulling, natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing, verbetering van de infrastructuur, aanleg van recreatieve voorzieningen of een financiële bijdrage.
  7. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  8. De woningen moeten op verantwoorde wijze milieuhygiënisch inpasbaar zijn. Daarbij geldt dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting op de gevel danwel een verkregen ontheffing op basis van de Wet geluidhinder.
  9. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
  10. De initiatiefnemer overlegt een inrichtingsplan waarop hij de vormgeving van de gebouwen en de inrichting van zijn erf verantwoordt.
  11. Het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie.
  12. De bepalingen in Artikel 9 Wonen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 Waarde - Archeologische verwachting 1     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
10.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 10.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 10.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

10.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

10.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 10.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
10.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 10.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
10.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door;

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' te wijzigen in de in bijlage 2 vermelde 'Standaardregels ten behoeve van dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'', indien is aangetoond dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 11 Waarde - Archeologische verwachting 2     

11.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden de bodem.

11.2 Bouwregels     

11.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
11.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 11.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

11.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 11.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

11.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

11.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
11.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 11.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
11.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 11.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
11.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 11.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

11.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door;

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' te wijzigen in de in bijlage 2 vermelde 'Standaardregels ten behoeve van dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'', indien is aangetoond dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

.

Artikel 12 Waarde - Archeologische verwachting 3     

12.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

12.2 Bouwregels     

12.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
12.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 12.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

12.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 12.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

12.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

12.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 12.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
12.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 12.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
12.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

12.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door;

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' te wijzigen in de in bijlage 2 vermelde 'Standaardregels ten behoeve van dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'', indien is aangetoond dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene bouwregels     

14.1 Zonebepaling bouwen langs A-watergang, wegen en windmolen, industrieterrein, alsmede milieubeschermingsgebieden     

14.1.1 Algemene bepaling     

Onverminderd het in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mogen geen bouwwerken worden opgericht in de navolgende zones:

a A-watergang     

5 meter aan weerszijden van aangeduide A-watergangen.

b Wegen     

Ten aanzien van de in 'Verkeer' onderscheiden en als zodanig aangeduide categorieën van wegen gelden de volgende zones:

  1. 40 meter aan weerszijden van de as van een ontsluitingsweg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 2';
  2. 25 meter aan weerszijden van de as van een gebiedstoegangsweg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 3';
  3. 15 meter aan weerszijden van de as van een onverharde weg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 4'.
14.1.2 Uitzonderingsbepaling     

De onder 14.1.1 onder b weergegeven zones zijn niet van toepassing op bestaande gebouwen die daarvan afwijken, mits bij herbouw of uitbreiding van het betreffende gebouw de bestaande afstand tot de as van de weg gelijk blijft, waarbij voor de onderscheiden wegen een uiterst minimum geldt van:

  1. 30 meter aan weerszijden van de as van een ontsluitingsweg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 2';
  2. 15 meter aan weerszijden van de as van een gebiedsontsluitingsweg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 3';
  3. 10 meter aan weerszijden van de as van een onverharde weg, aangeduid met 'specifieke vorm van verkeer - 4' .
14.1.3 Omgevingsvergunning     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  1. 14.1.1 onder a, ten behoeve van de uitbreiding of nieuwbouw van de binnen deze zone gelegen bouwwerken indien het waterstaatsbelang niet wordt geschaad en na het inwinnen van advies bij de beheerder van de watergang;
  2. 14.1.1 onder b na het inwinnen van advies bij de bevoegde beheerders.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels     

15.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan, storten of bergen van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  3. het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning;
  4. het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de op het moment van ingebruikname van gronden of bouwwerken geldende Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst;

15.2 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de op het moment van ingebruikname van van gronden of bouwwerken geldende Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst;

15.3 Voorwaardelijke verplichting     

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de op het moment van ingebruikname van gronden of bouwwerken geldende 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels     

16.1 Wetgevingzone - omgevingsvergunning landgoed     

Indien ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - aanlegvergunning landgoed' een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is vereist, dan geldt aanvullend de voorwaarde dat door de werken en werkzaamheden de samenhang binnen het landgoed en de cultuurhistorische waarden van het landgoed niet onevenredig mogen worden aangetast.

16.2 Overige zone - waardevolle open gebieden waaronder essen     

Indien ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - waardevolle open gebieden waaronder essen' een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is vereist, dan geldt aanvullend de voorwaarde dat door de werken en werkzaamheden open gebieden waaronder essen niet onevenredig mogen worden aangetast.

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels     

17.1 Wijzigingsbevoegheid legaal aanwezige dubbele bewoning     

17.1.1 Meerdere woningen binnen één hoofdgebouw     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde meerdere woningen binnen één hoofdgebouw toe te kunnen staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de wijziging is uitsluitend bedoeld voor die situaties, waarbij er sprake is van een kennelijk op 1 januari 2010 legaal aanwezige situatie, waarin binnen één hoofdgebouw meerdere wooneenheden zijn gevestigd en deze meerdere wooneenheden niet in het onderhavige bestemmingsplan zijn gereguleerd. De wijziging heeft als doel, de legale situatie op een adequate wijze te reguleren in het bestemmingsplan.
  2. de wijziging richt zich op het aangeven dan wel aanpassen van de aanduiding ‘aantal woningen’ ter plaatse van de onder a bedoelde locatie;
  3. de wijziging beoogt het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke situatie, waardoor bijgedragen kan worden aan een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad.
17.1.2 Wijzigen voorgeschreven aantal woningen     

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde het voorgeschreven aantal woningen binnen één hoofdgebouw als bedoeld in de artikelen bedrijfswoning onder b, bedrijfswoning onder c, 5.2.3 onder b, bedrijfswoning onder a, bedrijfswoning onder a en 9.2.3 onder a te kunnen verminderen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de wijziging is een gevolg van het verzoek van belanghebbende tot samenvoeging van woningen binnen één hoofdgebouw; het betreft een locatie waarvoor het aantal wooneenheden in dit plan is voorgeschreven door middel van de aanduiding ‘aantal woningen’ ;
  2. de in een hoofdgebouw toegestane aantal wooneenheden kunnen worden verminderd tot minimaal 1 wooneenheid (woning);
  3. de wijziging richt zich op het schrappen dan wel aanpassen van de aanduiding ‘aantal woningen' ter plaatse;
  4. de wijziging beoogt het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke situatie, waardoor bijgedragen kan worden aan een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 18 Overgangsrecht     

18.1 Overgangsrecht bouwwerken     

18.1.1 Algemeen     

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
18.1.2 Omgevingsvergunning vergroten inhoud bouwwerk     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van 18.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 18.1.1 met maximaal 10%.

18.1.3 Uitzondering     

Het bepaalde in 18.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik     

18.2.1 Algemeen     

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.2.2 Strijdig gebruik     

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 18.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.2.3 Onderbroken gebruik     

Indien het gebruik, bedoeld in 18.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.2.4 Uitzondering     

Het bepaalde in 18.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 19 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Buitengebied; verschuiving bestemmingen landgoed Zelle Hengelo.

Bijlagen bij de regels     

Bijlage 1 Toegelaten functies     

Bestemmingen

Zone Structuurvisie
Agrarisch Agrarisch met waarden - Landschap Agrarisch met waarden - Natuur en landschap
Multifunctioneel gebied Multifuctioneel gebied met landschapswaarden EHS-verweving / EHS-verbinding Gebiedsgebonden
Functies
1. Verblijfsrecreatie Uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning in afwijking van de gebruiksregels.
* minicampings Ja
* recreatieappartementen Ja
* bed & breakfast Ja
* groepsaccomodatie Ja
* recreatiewoningen Ja
2. Dagrecreatie
* catering1 N/H N/H N Ja
* café1 N/H N/H N
* restaurant1 N/H N/H N/H Ja
* eethuis1 N/H N/H N/H Ja
* ijssalon1 N/H N/H N/H Ja
* terras/theetuin1 N/H N/H N/H Ja
* theeschenkerij1 N/H N/H N/H Ja
* bezoekerscentrum N/H N/H N/H Ja
* paardenpension/stalling N/H N/H N/H Ja
* sauna N/H N/H N/H Nee
* verhuur van:
- paarden N N Ja
- fietsen N N N Ja
- kano's N N N Ja
- trapauto's N N N Ja
3. Zorg
* sociale nevenfunctie op agrarisch bedrijf (resocialisatie, therapie, gehandicapten) N/H N/H N/H
* individuele (para)medische of therapeutische praktijk N/H N/H N/H Ja
* privékliniek N/H N/H N/H
* kuuroord N/H N/H N/H Ja
* dagverblijf N/H N/H N/H Ja
* groepspraktijk N/H N/H N/H Ja
4. Opslag
* caravans / boten N/H N/H N Ja
* inboedel N/H N/H N Ja
* overige opslag N/H N/H N Ja
5. Overige functies
Landbouw verwante functies
Agrarische hulpbedrijven
* loonbedrijven N/H N/H - Ja
* drainagebedrijven N/H N/H - Ja
* veehandelsbedrijven N/H N/H - Ja
toeleverende bedrijven
* spermabank N/H N/H N Nee
* foeragehandel N/H N/H N Nee
* zaai en pootgoed N/H N/H N Ja
* opslag agrarische producten N/H N/H N Ja
* hoefsmederij N/H N/H N Ja
semi-agrarische bedrijven
* hoveniersbedrijven N/H N/H N/H Ja
* boomverzorgingsbedrijven N/H N/H N/H Ja
* natuur- en landschapsbeheer N/H N/H N/H Ja
* bosbouwbedrijven N/H N/H N/H Ja
* tuincentrum N/H N/H - Nee
* vis- escargot- wormkwekerij N/H N/H N/H Ja
manege N/H N/H N/H Ja
huifkarcentrum N/H N/H N/H Ja
Aan huis verbonden beroepen
dierenarts N/H N/H N/H Ja
atelier N/H N/H N/H Ja
overige aan huis verbonden-beroepen N/H N/H N/H Ja
Medisch (verwante) dienstverlening
dierenkliniek N/H N/H N/H Nee
Overige dienstverlening
cursuscentrum N/H N/H N/H Nee
crêche / peuterspeelzaal N/H N/H N/H Nee
museum / tentoonstellingsruimte N/H N/H N/H Ja
dierenasiel / pension N/H N/H N/H Nee
kappersbedrijf N/H N/H N/H Nee
computerservicebedrijf N/H N/H N/H Nee
adviesbureau N/H N/H N/H Ja
geluids- en/of TV-studio N/H N/H N/H Nee
post- en koeriersdiensten N/H N/H N/H Nee
telecommunicatie N/H N/H - Nee
antiekhandel N/H N/H N/H Nee
kunsthandel N/H N/H N/H Nee
Ambachtelijke landbouwproduktverwerkende bedrijven
- slagerij N N N Ja
- vleesverwerking N N N Ja
- zuivelverwerking N N N Ja
- plantaardige

produktverwerking
N N N Ja
- imkerij N/H N/H N/H Ja
- palingrokerij N/H N/H N/H Ja
- wijnmakerij N/H N/H - Ja
- ijsmakerij N/H N/H N/H Ja
- bierbrouwerij N/H N/H N/H Nee
- riet- en vlechtwerk N/H N/H N/H Nee
Overige ambachtelijke bedrijven
bouwbedrijven N/H N/H N Nee
- schildersbedrijven N/H N/H N Nee
- glas in lood zetterijen N/H N/H N Nee
- installatiebedrijven N/H N/H N Nee
- electrotechnisch

installatiebedrijf
N/H N/H N Nee
- dakdekkersbedrijf N/H N/H N Nee
- rietdekkersbedrijf N/H N/H N Ja
houtbewerkingsbedrijven N/H N/H N Nee
- houtzagerij en -schaverij N/H N/H N Ja
- speeltoestellenfabricage N/H N/H N Nee
lasinrichtingen / bankwerkerijen N/H N/H N Nee
vervaardigen medische instrumenten / precisie-instrumenten en orthopedische artikelen N/H N/H N Nee
meubelmakerij / restauratie N/H N/H N Nee
meubelstofferderijen N/H N/H N Nee
vervaardigen en reparatie sieraden N/H N/H N Nee
vervaardigen en reparatie muziekinstrumenten N/H N/H N Nee
spel- en speelgoedfabricage N/H N/H N Nee
textiel
- spinnen en weven van textiel N/H N/H N/H Nee
- vervaardigen van

textielwaren
N/H N/H N/H Nee
- kledingvervaardiging N/H N/H N/H Nee
reparatiebedrijven gebruiksgoederen N/H N/H N/H Nee
pottenbakkerij N/H N/H N/H Nee
natuursteenbewerking beeldhouwerij N/H N/H N/H Nee
zeefdrukkerij N/H N/H N/H Nee
grafische bedrijven N/H N/H N/H Nee
verkoop eigen agrarische producten N N/H N/H Ja

Bijlage 2 Standaardregels ten behoeve van dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'     

Artikel 1 Waarde - Archeologie

1.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

1.2 Bouwregels

1.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

1.2.2 Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 1.2.1 sub a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

1.2.3 Uitzondering bouwregels

Het bepaalde onder 1.2.1 sub a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

1.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

1.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

1.4.1 Vergunningplicht

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

1.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 1.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,4 m onder het bestaande maaiveld;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  4. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  5. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  6. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn.

1.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de onder 1.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

1.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 1.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.